Mijn boekrecensies in Humo

Lees mijn meest recente recensies hier                                                                          Lees een deel van mijn oudere recensies hier    

763 (1)

Als je de pr-teams van uitgevers mag geloven, lopen er tientallen Sally Rooneys, J.K. Rowlings en Haruki Murakami’s rond. Bij het prijswinnende debuut van de Zweedse Lydia Sandgren met de misleidende titel ‘Verzamelde werken’ (het is een roman) wordt verwezen naar Donna Tartt en Johan Harstad, maar nu dekt die vergelijking volledig de lading: net als Tartts ‘Het puttertje’ is ‘Verzamelde werken’ geen literaire thriller, maar literatuur waarin een flinke shot spanning werd gespoten. En Harstad vindt in zijn Scandinavische buur zijn eigen talent terug om de lezer moeiteloos in een breedvoerig verhaal mee te slepen.

Tien jaar lang werkte Lydia Sandgren (°1987), oud-studente muziek en filosofie en nu psychologe, aan haar reusachtige epos over het leven van uitgever Martin Berg. De overvloedige puzzelstukjes worden op twee tijdlijnen gelegd: met de vragen van een journalist als voorzet delven we in Martins herinneringen aan zijn jeugd, zijn boezemvriendschap met de getroebleerde kunstenaar Gustav Becker, zijn liefdesrelatie met Cecilia Wikner, zijn ervaringen in de uitgeefwereld en zijn eigen zwalpende schrijverschap. Dat Sandgren passages van echte en gefantaseerde auteurs toevoegt, laat zien hoe veelkleurig het vak is dat zij met Martin Berg deelt: ‘Schrijven betekent: de wereld veroveren. Die aan je onderwerpen en jezelf tot god maken. Het schrijven geeft je vrij toegang tot alle ruimtes, tot harten en zielen, het allerheiligste; het onbekende wordt aan je voeten gelegd. Je maakt kans op de eeuwigheid. Schrijven is weigeren te sterven.’

Op het tweede vertelspoor worden Martins kinderen door een toeval aangemoedigd op zoek te gaan naar een antwoord op de vraag waarom hun moeder Cecilia onverwacht haar gezin in de steek heeft gelaten. De spanning wordt opgedreven: de eerste tijdlijn haalt de tweede langzamerhand in en de enigmatische verdwijning van Cecilia blijft lang flikkeren, als een waakvlam die pas heel laat echt ontbrandt.

Hoewel de Zweedse meer een verhalenverteller dan een woordkunstenaar is, kan ze de zaken met weinig opsmuk (een nacht is ‘intens Van Gogh-blauw’, een vrouw heeft ‘een Da Vinci-lachje’) betekenisvol beschrijven. Dat gaat nooit ten koste van de vaart waarmee ze ons in haar uitgekiende labyrint meetroont. In een groots opgezet schouwspel etaleert ze met verve een brede waaier aan thema’s. Ze doorspekt het verhaal met feiten en bespiegelingen over de jaren 70, verschillende muziekscenes, Ludwig Wittgenstein, de toenemende commercialisering van kunst en de interne keuken van de boekenwereld. Uitgever Martin Berg vreest het witte blad, een ironisch contrast met Sandgren zelf, die haar inkt als een vloedgolf over de pagina’s laat stromen. Extreem waarachtig schetst de jonge Zweedse de drie-eenheid Martin, Gustav en Cecilia, en uiterst bekwaam vervlecht ze hun levenspaden met tonnen cultuurhistorische referenties tot een smakelijke verwennerij.

En toch lijkt haar onmiskenbare vernuft soms een vergiftigd geschenk. Je kunt vlot en pakkend vertellen, maar dan nog kun je beter het kaf van het koren scheiden. Haar drang om zo sterk mogelijk aan te leunen bij te werkelijkheid fnuikt haar inventiviteit en originaliteit. Veel passages zijn te lang of te alledaags. De 782 bladzijden van haar debuutroman hebben daarom wel iets weg van een langdurig museumbezoek, waarbij de verwondering omslaat in verzadiging.

Met nog meer memorabele anekdotes, meer humor en de vinger wat vaker op de deleteknop had Sandgren een waar meesterwerk kunnen beitelen uit haar veelbelovende debuut. Niettemin is ‘Verzamelde werken’ zo’n boek waarvan de personages je vrienden lijken te worden, zo’n boek dat de omgeving doet vervagen, zodat je al lezend de tram mist of tegen een paal aan loopt. Wedden dat er over twintig jaar debuten verschijnen met een wikkel waarop staat: ‘De nieuwe Lydia Sandgren is geboren’?

cover

Schermafbeelding 2021-12-31 095750

763

In 1952 bestormde Ralph Ellison de Amerikaanse letteren met zijn roman ‘Onzichtbare man’, waarin een zwarte man beseft dat mensen hem simpelweg weigeren te zien wegens zijn huidskleur. Vreemd dat Caleb Azumah Nelson schoorvoetend toegeeft die klassieker nooit gelezen te hebben. Hetzelfde verpletterende verschil tussen bekeken en gezien worden vormt immers het leidmotief in zijn debuutroman ‘Open water’.

Wanneer een naamloze man in een Londense pub door een vriend wordt voorgesteld aan diens geliefde, wordt hij stiekem smoorverliefd op haar. Hoewel een relatie nog onmogelijk is, bloeit er een buitengewone vriendschap tussen de twee. De man en de vrouw – beiden zwarte uitzonderingen op witte scholen – zijn gevoelswezens die hun kwellingen succesvol kanaliseren via hun passies: hij als fotograaf, zij als danseres. Twee zielen die alleen bij elkaar zichzelf kunnen zijn, aarzelend om de vage grens tussen intieme vriendschap en liefdesrelatie te overschrijden, want liefde is ‘zowel zwemmen als verdrinken’.

Niet het doordeweekse scenario verklaart waarom ‘Open water’ door critici als het belangrijkste Britse debuut in jaren wordt onthaald, maar wel de unieke vertelstem, die het hoofdpersonage voortdurend toespreekt met ‘jij’. Hij spreekt zijn eigen protagonist aan en geeft hem instructies: ‘Verontschuldig je niet. Vergeef jezelf.’ Het jij-perspectief biedt een dusdanig dieptezicht dat de lezer geen verre observator blijft, maar een eigen rol krijgt toegewezen: het hoofdpersonage wordt vrijwel in 3D gevolgd. Het is geen goocheltrucje uit de cursus creatief schrijven, maar een originele én functionele krachttoer waardoor de lezer mee verliefd, gekwetst en vertederd wordt: ‘Je denkt na over wat het betekent om op deze manier te verlangen naar je beste vriendin. Je denkt aan hoe je dit gevoel al zo lang vasthoudt, tegenhoudt, binnenhoudt, omdat het soms makkelijker is om je in je eigen duisternis te verstoppen dan om naakt en kwetsbaar naar buiten te treden, knipperend tegen je eigen licht.’

Daarnaast is ‘Open water’ een ijzersterk eerbetoon aan zwarte artiesten: hun wereldwijd gedeelde strijd om vrijheid drukt zich uit in allerlei kunstvormen. Zwarte artiesten motiveren hier velen om het hoofd boven water te houden. Geen Noel Gallagher of Nick Hornby, maar Kendrick Lamar en Zadie Smith om de Afrikaanse wortels te koesteren en zich enigszins thuis te voelen in de kille Londense straten. De Brits-Ghanese auteur strooit met vermeldingen van muziekhelden en drijft zijn verhaal op het urbane ritme van beats, waardoor een tekstuele soundtrack ontstaat bij underground Londen. Helaas verspeelt de roman hier wat maturiteit en subtiliteit, deels wegens een teveel aan clichés en herhalingen, deels omdat een vertaling van aan poetryslam grenzend taalgebruik onherroepelijk misvormt (‘This is not a drill’ heeft een andere connotatie dan ‘Dit is geen oefening’).

De 26-jarige debutant excelleert niettemin in de wijze waarop hij racisme, etnische profilering en politiegeweld als onontkoombare hindernissen op de levensweg van zijn personages plaatst. De dagelijkse ervaring aan de zijlijn van de oer-Britse samenleving te staan zonder ooit mee te mogen spelen vreet aan de hoofdpersoon, net als de onveranderlijke blik waarmee hij als bedreigend wordt bekeken. Hoewel zijn angst en woede gedeeltelijk worden opgevangen door vriendschap en creativiteit, maakt het hem te fragiel om zijn kwetsbaarheid te delen. Want kan er bij zo’n frustrerende ongelijkheid iets onvoorwaardelijks bloeien? Kan iemand je gehele ik aanvaarden als je zo verscheurd bent? Hoe kun je liefhebben tussen zoveel haat?

Terwijl de woke polemiek begint te lijken op een tweegevecht in een western, zouden we bijna vergeten hoe structureel racisme het alledaagse leven van velen bepaalt. Godzijdank blijven literaire helden dat zichtbaar maken.

1240

Schermafbeelding 2021-12-31 095201

1240 (1)

Er verschijnen tegenwoordig minder romans die braafjes bij punt A beginnen en bij punt Z eindigen dan er handgeschreven brieven naar de postbus worden gebracht. Maar vergis u niet: de verknipte vertelstructuur van ‘De overlevenden’ is geen tendentieus trucje, maar 100 procent functioneel. In de openingsscène rijdt een ambulance om 2 uur ’s nachts naar drie broers die met de urne van hun overleden moeder zijn teruggekeerd naar het zomerhuis van hun jeugd. ‘Wat zich hier op de stenen trap afspeelt, de tranen van de drie broers, hun gezwollen gezichten en al het bloed, is slechts de buitenste ring in het water, degene die het verst verwijderd is van het inslagpunt.’

Om dat geheimzinnige inslagpunt te traceren en te ontdekken waarom de broers elkaar zo hebben toegetakeld, zet Alex Schulman ons in afwisselende hoofdstukken op twee sporen: op het ene springt hij telkens twee uur terug in de tijd, op het andere pent hij scènes uit het verleden zo indringend neer dat je de zomerdagen bij het huis aan het meer kunt horen, zien en ruiken.

In het gezin van vijf is Nils, de oudste zoon, de teruggetrokken uitblinker en Pierre, de jongste, een angsthaas die zich later tot driftkikker zal ontpoppen. Benjamin, de eeuwige observator en niet toevallig de verteller van het verhaal, is zowel het epicentrum als de schokdemper. Bij ruzies, die verbazend onverwacht kunnen ontvlammen, zorgt hij voor de even abrupte verbroedering, waarna het gelach van de drie opklinkt. Dat er voortdurend iets in de lucht hangt, vloeit niet alleen uit hun haat-liefdeverhouding voort. De passief-agressieve moeder blijft zowel voor haar zonen als voor de lezer ondoorgrondelijk. De vader wil de competitiegeest bij zijn kinderen aanwakkeren door hen met elkaar te laten duelleren, maar oogst vooral zelfhaat en onvrede. In combinatie met een bij momenten verbijsterende achteloosheid leidt dat tot een toxische cocktail.

Tijdens die zomeravonden zijn de hersenen van de ouders gemarineerd in alcohol en er valt weleens een klap, maar ‘De overlevenden’ is niet het zoveelste coming-of-agedrama in een van drankmisbruik en agressie doordrongen gezin. Het is subtieler: elke zoon gaat op zijn eigen manier om met een op vele vlakken verwarrende opvoeding, en als ze volwassen zijn, kruisen hun wegen of lopen ze parallel, maar in hun kleinste gedragingen zijn sporen van het verleden en een niet nader genoemde tragedie te zien.

In een jaloersmakend moeiteloze schrijfstijl bewijst de 45-jarige Zweed dat je voor een diepgravende familiekroniek geen kilo’s papier nodig hebt. In ‘De overlevenden’ heeft Schulman bovendien de wetenschappelijke stand van zaken over genetische aanleg en opvoeding handig verwerkt. En lezers kunnen urenlang discussiëren over de al dan niet bevredigende ontknoping. Tot slot zal meer dan één scène van ‘De overlevenden’ ze hun hele leven bijblijven. Nooit zult u nog met dezelfde ogen naar een vis in de braadpan, een elektriciteitscabine of een verkoelende zwempartij in een meer kijken. De ‘geen woord te veel of te weinig’-finesse doet denken aan Julian Barnes’ ‘Alsof het voorbij is’, de nostalgie aan ‘Wat behouden blijft’ van Wallace Stegner. Met ‘De overlevenden’ bewijst Schulman op zijn manier dat literatuur niet alleen een escapistische honger kan stillen, maar ook meedogenloos dicht tegen de werkelijkheid kan aanschuren.

768x1200

Schermafbeelding 2021-12-31 095258

1240

‘Kind geweest zijn is zoiets als dronken geweest zijn op een feest waar de anderen nuchter waren. We weten dat we er waren, dat we geen remmingen hadden en de aandacht wilden trekken, maar we herinneren ons slechts brokstukken en losse beelden.’ Dat is de openingszin van het openingsessay in het debuut van een 33-jarige auteur die meteen haar literaire hengel uitgooit, de lezer doet happen en 335 bladzijden lang weigert los te laten. Ida Lødemel Tvedt trekt je aan land in het Noorwegen van haar kinderjaren en overgiet je zintuigen met mentale souvenirs en onbegrensde verbeelding. Ze neemt je mee door haar eigenzinnige adolescentie, om uit te komen bij een volwassenheid waarin we ‘met een enorm sleepnet achter ons aan onze herinneringen overbevissen’. Nadat je al dan niet de drang hebt weerstaan om de proloog te kopiëren en in honderdvoud op trein en bus achter te laten, word je in de volgende essays meegenomen naar New York, waar ze eerst filosofie en politicologie heeft gestudeerd en nu lesgeeft in literaire essayistiek.

Autofictie, essays en memoires zijn hot, maar Ida Lødemel Tvedt is niet de zoveelste navelstaarder uit de selfiegeneratie. Net als Annie DillardRebecca SolnitJudith Schalansky en Roxane Gay beschikt ze over de gave om aan te voelen waar ze zichzelf moet wegcijferen, dan wel haar eigen positie moet etaleren en met persoonlijke anekdotiek illustreren. Ze weet wanneer ze een onderwerp frontaal of via een zijingang moet behandelen en op welk moment ze naar een metaniveau kan springen om zelfkritisch haar eigen denkproces bloot te leggen. Ze verzamelt pareltjes uit onze filosofische en culturele schatkist en koppelt taal, tempo en toon naadloos aan inhoud: zo schalt een stuk over het schoonheidsideaal vanuit een uitgesproken ‘wij vrouwen’ en blijft een angstaanjagende alt-right man die ze in Brooklyn ontmoet, zo uitvoerig aan het woord dat zijn paranoia je huiskamer binnendringt.

Of het nu over porno, autisme, stand-upcomedy of collega-schrijvers gaat, telkens vat Tvedt met precisie de essentie en spint ze er met vrije maar doordachte associaties ideeën rond, die ze vervolgens met een citaat van Susan SontagJean-Paul Sartre of Leonard Cohen opsmukt. Hoewel ze haar pen na elke bladzijde door de messenslijper lijkt te halen, houdt ze bedachtzaam het midden in verhitte polemieken rond Black Lives Matter, culturele toe-eigening en #MeToo. In tijden waarin men zich terugtrekt in digitale loopgraven, sta je het best bescheiden en genuanceerd tussen twee tegenpolen.

Is de bundel dan over de hele lijn makkelijk verteerbaar? Toch niet. Sommige passages vergen de inspanning van een eerstejaarsstudent die het tijdens een uiteenzetting over de fenomenologie van Heidegger in Keulen hoort donderen. Bij sommige opmerkingen denk je eerst: oei, dat is wel zeer kort door de bocht. Maar bij herlezing moet je wel de onweerlegbare of op z’n minst verdedigbare aard van haar discours erkennen. Zelfs bij kwesties die verder van je bed zijn, veegt het citeerbare karakter van haar formuleringen het slaapverwekkende weg.

Deze subliem door Geri de Boer vertaalde bundel verwondert, verheldert en verdiept. Hij haakt de onverschrokkenheid van een groen blaadje aan de wijsheid en kennis van iemand die al eeuwen in Borges’ oneindige bibliotheek lijkt rond te neuzen. Benieuwd wat de negen andere boeken in mijn eindejaarslijstje worden.

9789025470616-de-mannen-die-we-oogstten-l-LQ-f

Schermafbeelding 2021-12-31 100101

Schermafbeelding 2021-12-31 093741

763 (4)

Schermafbeelding 2021-04-05 120742

Schermafbeelding 2021-04-05 120710

In de Oscarwinnende komedie ‘The Apartment’ (1960) giet New Yorker Jack Lemmon de spaghetti af met een tennisracket, hij stapt de eetkamer binnen waar Shirley MacLaine op hem zit te wachten, en verkondigt met geveinsde nonchalance: ‘Ya know, I used to live like Robinson Crusoe. I mean shipwrecked among eight million people. And then one day I saw a footprint in the sand and there you were.’ Het is mede dankzij zulke gedenkwaardige speelsheid dat Billy Wilder als één van de allerbelangrijkste Amerikaanse filmregisseurs geldt. Jonathan Coe brengt nu het icoon Wilder met succes van doek naar boek.

null Beeld De Bezige Bij

Na de solide maar weinig opzienbarende titels ‘Expo 58’ en ‘Klein Engeland’, heeft de Brit zijn onstuitbare vertelkracht van ‘De Rotters Club’ en het ondergewaardeerde ‘Het huis van de slaap’ teruggevonden. Coe in topvorm hoort bij het selecte clubje schrijvers (denk aan David Mitchell en Ian McEwan) die in elk hoofdstuk onverwijld de lezer aan boord kunnen trekken. Zo ontwijkt hij telkenmale met gierende banden de valkuil van niet-lineaire verhalen, waarbij de lezer liever op de ene tijdlijn vertoeft dan op de andere. In dit geval blikken we met de fictieve Grieks-Britse Calista in het Londen van nu terug op eind jaren 70, toen haar ontmoeting met de wereldvermaarde filmmaker Billy Wilder en de daaruit voortvloeiende professionele en vriendschappelijke band haar levensloop veranderde. De 57-jarige vrouw ziet haar grootste talenten (opvoeden en soundtracks componeren) in onbruik raken: haar tweelingdochters worden razendsnel volwassen en originele filmcomposities worden vervangen door generische computermuziek. In haar herinneringen komen we op en rond Wilders filmset een scala aan verzonnen en echte personen tegen die elk, als stukken op een schaakbord, een essentiële functie vervullen om het verhaal zo volwaardig mogelijk te ontvouwen.

Briljant hoeveel info Jonathan Coe over Billy Wilders persoonlijkheid en repertoire in zijn roman propt en hoe hij toch de leeservaring naturel weet te houden: alle anekdotes dienen als noodzakelijke schakels in de vertelling en wringen zich als op zichzelf staande scènes in het lezersgeheugen: Al Pacino die in een Duitse bistro amok maakt omdat hij per se een Amerikaanse cheeseburger wil. Een fan die op restaurant ongevraagd de cruciale impact van Wilders films op zijn leven komt verhelderen, terwijl die samen met zijn vaste scenarist, de illustere Iz Diamond, tevreden oesters zit te slurpen. Het tafereel waarin Calista bij Franse boeren de troostende kracht van brie ontdekt, is dermate memorabel dat Coe stukjes stinkkaas als zijn madeleines van Proust vereeuwigt. Net wanneer de Brit de diepgang dreigt te offeren op het altaar van laagdrempeligheid, traceert hij Wilders Joodse roots en beleven we in een uitgebreide flashback – schitterend in de vorm van een filmscript gegoten – de opkomst van het nazisme en de aangrijpende zoektocht naar Wilders vermiste moeder.

Doordat Calista de maker van onder meer ‘Some Like It Hot’ en ‘The Lost Weekend’ slechts op het einde van zijn carrière aantreft en hij zijn nieuwste filmproject, ‘Fedora’, amper bekostigd krijgt, kan Coe zich bezinnen over de houdbaarheidsdatum van kunst. Hoewel Wilder nog steeds als een levende legende wordt gezien, moet hij het toverstokje waarmee hij steevast de stijl van het nakende tijdperk vormgaf, doorgeven aan groentjes als Steven Spielberg, die met ‘Jaws’ de pretparksensatie van cinema een enorme boost zal geven.

‘Meneer Wilder en ik’ past op de boekenplank naast Jess Walters ‘Schitterende ruines’ en ‘Het boek der illusies’ van Paul Auster, maar die uitstekende cinematografische romans missen de gevatheid, geestdrift en scherpe dialogen van Coe. Hij vermengt comedy met drama, soap met arthouse, geeft een inkijk in Hollywoods interne keuken en brengt een liefdesverklaring van de ene kunstvorm aan de andere.

763 (2)

Schermafbeelding 2021-04-05 120452

Schermafbeelding 2021-04-05 120420

Over één ding kan men het eens zijn: Kazuo Ishiguro is qua thematiek en stijl één van de veelzijdigste auteurs van onze tijd, van de fantasysage ‘Vergeten reus’ tot zijn hyperrealistische bezinning rond deugdzaamheid en spijt in ‘De rest van de dag’ (befaamder als de verfilming ‘The Remains of the Day’). Hoe breed zijn literaire horizon ook reikt, een constante is de verfijnde maatschappijkritiek en ‘een sterke emotionele kracht waarin de afgrond onder ons denkbeeldig gevoel van verbondenheid met de wereld wordt gelegd’, aldus het Nobelprijscomité dat de Japans-Engelse schrijver in 2017 bekroonde.

Met zijn eerste roman na de prijs der prijzen diept Ishiguro opnieuw de verontrustende sfeer op van het dystopische ‘Laat me nooit alleen’, waarin leerlingen met wel heel sinistere doeleinden in een kostschool worden grootgebracht. Ook in ‘Klara en de zon’ treffen we een beklemmende wereld aan waarin vreemde elementen de werkelijkheid binnendringen. De mensachtige robot Klara staat in een winkel te wachten om gekocht te worden. Wat haar onderscheidt van andere robots, is haar uitmuntende leer- en waarnemingsvermogen. Ze ziet de wereld in vlakken, is afhankelijk van de door haar geadoreerde Zon en ze walgt van de ziekmakende Vervuiling in de buitenwereld (ik-personage Klara geeft hoofdletters aan sommige kernwoorden). Na lang wachten wordt Klara als Kunstmatige Vriend (KV) aangeschaft door de zieke 14-jarige Josie en haar gespannen moeder.

De batterij van het lezersgeduld is dan al half leeggelopen. Het verhaal beweegt zich met een slakkengangetje voort en door het gebrek aan opheldering lijk je deel te nemen aan een gezelschapsspel met onbegrijpelijke spelregels. Want wat zijn de ballonnetjestekeningen waarmee Josie en haar vriendje Rick zich bezighouden? Wat betekenen de Cootings-machine en het Open Plan? En vooral: wat is de ware rol van Klara in het gezin?

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Essentiële informatie achterhouden kan het mysterie en de honger om verder te lezen natuurlijk vergroten, maar de uiterst zuinige en tergend trage worldbuilding wekt eerder frustratie dan fascinatie. Als het verhaal rammelt, kan taal de motor ervan nog smeren, maar simplistische fraseringen, gekunstelde scènes en dialogen tussen 14-jarigen die klinken als humorloze kinderen doen het vehikel nog meer sputteren. Dat een robot dit verhaal vertelt, is op zich een originele keuze. Toch is het vreemd dat we Klara’s verslag van haar eerste stappen in de buitenwereld lezen in een taaltje dat amper verschilt van het onze. Het was geloofwaardiger geweest als haar beschrijvingen genuanceerder werden naarmate ze meer ervaringen opdeed.

Het gebrek aan vaart eist haar tol: als lezer voel je je op een etentje waarbij voortdurend dezelfde schaal met borrelhapjes rondgaat terwijl je reikhalzend uitkijkt naar het vijfgangendiner. Pas ver voorbij halfweg krijg je de eerste belangwekkende antwoorden geserveerd. Klara’s functie wordt duidelijker, veel puzzelstukken klikken in elkaar en wat tevoorschijn komt, stelt niet helemaal teleur. Zonder de gehele plot weg te geven – en aldus uw diner te verbrassen – kan ik wel ontsluieren rond welke vragen de auteur cirkelt: wat rest er van de menselijke uniciteit als artificiële intelligentie zich bandeloos kan ontplooien? Is er een deeltje menselijkheid dat niet kan nagebootst worden? Kortom: wat maakt de mens tot mens?

Wat nazindert, is de geweldige kans die de Britse duizendpoot onbenut laat. Door de gevolgen van kunstmatige intelligentie vanuit het perspectief van een humanoïde robot te bekijken, had de literaire maatschappijcriticus zoveel dichter bij de diepe ethische en filosofische kern kunnen komen. Met beter uitgewerkte personages had Ishiguro harten kunnen breken en Klara’s persoonlijke evolutie extra kunnen doen sprankelen, met minder Wall-E en meer Aldous Huxley.

1240 (4)

Schermafbeelding 2021-04-05 120337

1240 (3)

Schermafbeelding 2021-04-05 120253

763

Schermafbeelding 2021-04-05 120219

1240 (2)

Schermafbeelding 2021-04-05 120141

1240

Schermafbeelding 2021-04-05 120042

1240 (1)

Schermafbeelding 2021-04-05 120013

     

Tijdens het lezen van Quarantaine moest ik meermaals denken aan Stephen King. Niet omwille van het reeds in 1978 uitgebrachte De beproeving (The stand) waarin de King of horror een supergriep opvoert die 99 procent van de gehele beschaving wegveegt, maar vanwege een beklijvende tip uit zijn schrijfmemoires: beschrijving maakt van de lezer een ‘zintuiglijke deelnemer’ aan het verhaal. Te karige beschrijvingen verwarren lezers en overdaad begraaft de arme boekenminnaar onder beelden en details. ‘The trick is to find a happy medium.’ De kunst van evenwichtig afmeten is waarin literair koorddanser Ilja Leonard Pfeijffer uitblinkt. Trouw aan King’s adagium is een stad niet zomaar uitgestorven maar liggen terrastafeltjes als dode insecten op hun rug en bungelen gesloten parasols als lijkzakken aan hun ophanging. Zo is Arturo, de eerste virusdode in de familie, ‘een vrolijke en gulle man, een weggetjesweter en een ondernemer die danste met de samenleving en zakendeed met Engelen en duivels.’ Met één zin danst Arturo meteen ook op uw netvlies. ‘Wat maakt een boek goed?’ vroeg Pfeijffer zich onlangs in VPRO’s Zomergasten af. Het allerbelangrijkste van een roman noemt hij het decor. Wat je bijblijft is de sfeer, dat is hetgeen wat je weer naar het boek doet grijpen.
Het decor van dit dagboek is Genua, waar de uitgeweken Nederlander met zijn Italiaanse geliefde Stella woont. De sfeer loopt van laconiek (het zal wel een griepje zijn) naar de paniek van overvolle ziekenhuizen, dreigende faillissementen en verhitte gesprekken tussen mensen die plots hun voorheen onaangeroerd talent tot virologie etaleren. De Libriswinnaar is bedreven in het blootleggen van contradicties: dierbaren komen samen om angstvallig op afstand te blijven en offeren het volle leven om het vege lijf te redden. ‘Alle dagen zijn eender, maar alles is vreemd en onzeker. De etmalen verglijden volgens een onveranderlijk stramien, maar ik heb behoefte aan houvast.’
De flamboyante Nederlander schrijft lichtvoetig over loodzware onderwerpen en schommelt in zijn bedenkingen genuanceerd tussen de noodzaak van strenge maatregelen en het gevaar dat de remedie soms erger lijkt dan de kwaal. Bijwijlen toont hij de klauwen die hij in Grand Hotel Europa zo fel aanscherpte: ‘Dit zou een moment zijn waarop Europa zou kunnen laten zien dat het meer is dan een vrijhandelszone voor multinationals. Maar iedereen in Europa denkt alleen aan zichzelf. We erkennen nog maar één morele waarde en dat is de volksgezondheid.’
Het waardevolste aan dit dagboek is de menselijkheid die -ontdaan van alle cijfers, polemiek en het vers verworven jargon van afvlakkende curves en contact tracing- tevoorschijn komt. ‘Een vriend van mij,’ zei iemand tegen Pfeijffer, ‘heeft vorige week binnen drie dagen zijn beide ouders verloren.’ Dergelijk individueel drama schreeuwt luider dan eender welke statistiek. Ikzelf vond bijvoorbeeld de duizenden pasfoto’s van slachtoffers aan de muren van het Auschwitz-museum minder indrukwekkend dan dat ene jeugdige gezicht op een reuzengrote afbeelding in Pol Pot’s voormalige Cambodjaanse gevangenis. Nabije individualiteit genereert empathie. Dit dagboek realiseert (zich) dat.
Toen deze columns tussen 11 maart en 26 juni bijna dagelijks verschenen in De Standaard en NRC Handelsblad beefden we in de Lage Landen mee met het voorhoedegevecht in de laars van Europa, maar nu we zelf door Covid-golven worden overspoeld, verliezen deze cursiefjes noodgedwongen aan nieuwswaarde en momentum. Persoonlijke beslommeringen als Pfeijffer’s verstoorde aankoop van een nieuw huis helpen daar niet bij. Hoewel deze bundeling van enigszins overeenstemmende stukken van 300 woorden te fragmentarisch is om diepgravend inzicht te verwerven en de anekdotische leeservaring hierdoor soms wat -excusez le mot- kortademig aanvoelt, wordt deze getuigenis uit het waanzinnige jaar 2020 ongetwijfeld ooit van onschatbare waarde. Moge Quarantaine snel een historisch document worden.

                                                  

Wat Hilary Mantel met haar Wolf Hall-drieluik rond het leven van Thomas Cromwell creëerde, vervulde haar landgenoot Robert Harris al eerder met zijn Cicero-trilogie: op basis van uitmuntend studiewerk zich radicaal in een tijdperk vastbijten om feiten en fictie tot beklijvende kronieken te verweven. Of het nu over de vernietiging van Pompeï, de Dreyfuss-affaire of de verkiezing van een nieuwe paus gaat, de voormalig BBC-correspondent giet zijn narratieve saus rijkelijk over de droge kost der geschiedenisboeken. Of zoals hij het zelf formuleert: ‘De waarheid is dat mijn boeken tegelijk extreem accuraat en helemaal gefantaseerd zijn.’ Wie wil tijdreizen, stapt richting H van Harris in de boekenkast.

Het tijdens de Covid19-lockdown geschreven V2 is niet de eerste keer dat Harris uitstapt bij de Tweede Wereldoorlog. In Enigma vertelde hij hoe de overwinning van de geallieerden werd bespoedigd door Britse wiskundigen die de Duitse militaire codes wisten te kraken. In Vaderland bedacht hij een wat-als scenario (denk Philip Roth’s Het complot tegen Amerika meets Philip K. Dick’s De man in het hoge kasteel) waarin nazi-Duitsland anno 1964 de 75e verjaardag van de springlevende Hitler viert.
In zijn veertiende roman alterneert Harris eind 1944 tussen twee fictieve protagonisten in een waarheidsgetrouwe context: ingenieur Rudi Graf die de droom van het Derde Rijk alsnog moet bestendigen door de op London gerichte V2-lanceerbasis in Scheveningen te optimaliseren. En aan de overkant van het Kanaal: Kay Caton-Walsh van de Britse WAAF, een door vrouwen geleide hulporganisatie van de Royal Air Force. Beiden worden als wetenschapper door hun natie ingelijfd om hun expertise voor het vaderland in te zetten: de ene om de eerste onbemande, geleide raketten mee te ontwerpen, de ander om deze op basis van luchtfoto’s en wiskundige berekeningen op te sporen. Harris kent de ingrediënten van een politieke thriller als geen ander: hij laat de vijanden bladzijde na bladzijde naar elkaar toesluipen. Zeker wanneer Kay naar Mechelen vliegt om haar speurneus op het terrein in te zetten, lijkt Harris het vuur aan de lont te steken.
Een voordeel van het WOII-decor is dat ons collectieve geheugen meteen wordt aangewakkerd met sturmführers en sieg heil’s in de kilte van een oorlogswinter. Het nadeel is dat alle lezers de afloop van de oorlog al kennen: met cyanidepillen en een revolver in een Berlijnse bunker. Hoe jaag je er dan voldoende spanning in? Niemand hoeft de Engelsman nog te leren hoe je pakweg de minuten voor en na een bominslag overtuigend kunt brengen, maar in V2 vergeet hij hét sleutelelement van thrillers: hoofdpersonages horen empathie op te wekken. Meeleven doet mee beven. Zo kreeg Kay de persoonlijkheid van een porseleinen pop toebedeeld. Bij herr Graf vangen we gelukkig vaker een glimp op van een diepere aard, bijvoorbeeld wanneer hij de door krijgsgevangenen aangelegde wapenbasis voor het eerst aanschouwt: ‘Slaven in het midden van de twintigste eeuw! Wat gaat er van ons worden?’ Ook in Graf’s mijmeringen over zijn collega Wernher Von Braun en diens ontmoeting met Hitler in 1942 schiet Harris eindelijk met scherp.
Van een oorlogsthriller kan je natuurlijk geen filosofische inzichten à la Hannah Arendt verwachten, maar Harris’ overdaad aan technische details en gebrek aan driedimensionale personages belemmeren de broodnodige hoogspanning van een pageturner én een doorgang tot het hart van het oorlogsleven. Hoewel de ontknoping ietwat goedmaakt, geven te veel nodeloos lange passages en ballistische gegevens het gevoel dat je de uitgebreide handleiding van iets uitpluist dat al kant-en-klaar voor je neus staat. V2 is voer voor WOII-adepten en bommen-aficionados, maar wie een diepmenselijk of bloedstollend verhaal zoekt, stapt deze sputterende teletijdmachine beter niet in.


Volledige recensie:

Bij weinig auteurs liggen lof en afwijzing zo ver uit elkaar als bij Alice Munro: De 86-jarige Nobelprijswinnares wordt weleens de Canadese Tsjechov of de meester van het hedendaagse kortverhaal genoemd maar krijgt net zo vaak te horen dat ze eentonig, langdradig en ouderwets zou zijn. De tot het bejubelende kamp behorende schrijfster Marja Pruis en haar dochter Greta Le Blansch stelden een best-of bundel van eerder gepubliceerde verhalen samen. Wel vreemd dat we ter inleiding via hun onderlinge briefwisseling vernemen hoe ze tot hun hartverscheurende keuzes kwamen terwijl tien van de elf verhalen ook al opdoken in de in 2014 verschenen Engelstalige bundel ‘Family Furnishings’.
Ondanks de veelzijdigheid aan thema’s staan de typische ingrediënten bij de Canadese schrijfster zo goed als vast: haar van moderniteit ontdane verhalen spelen zich steevast af in een landelijk decor dat bevolkt wordt door zorgvuldig gekenschetste personages die even vaak meester als speelbal van hun eigen lot zijn. Het geeft de verhalen een tijdloos karakter maar vraagt van de lezer ook tijd en inlevingsvermogen. Munro is onthaasting avant la lettre. Met fijnzinnige humor en diepgravende levenswijsheid balanceert ze geduldig op het slappe koord tussen tonen en vertellen. Het slakkengangetje waarmee de levens van haar personages worden getekend en het uitblijven van sensatie werken verraderlijk, want bij Munro is lui lezen verliezen. Ze eist het voordeel van je twijfel en je engagement om actief bijzaak van hoofdzaak te onderscheiden en uit te vissen of je juist moet uitzoomen of eerder inzoomen. En op wat dan? Als je focus op het foute ogenblik onscherp wordt, loop je mogelijk al iets cruciaals mis.
Munro verkiest precisie en waarachtigheid boven schoonheid om zich zo voluit te kunnen concentreren op het enige wat er, in de woorden van collega en fan Jonathan Franzen, écht toe doet: ‘people, people, people’. Of accurater: women, women, women. Mannen worden als eendimensionale karakters opgevoerd en geven meestal een lompe, onsympathieke indruk. Vrouwen zijn daarentegen complexe wezens met onnauwkeurige herinneringen aan hun verledens en specifieke ideeën over hun toekomst. Munro lezen is speels speculeren: verankerd in het heden wordt een episode van dertig jaar geleden ontleed, maar waarom nu pas? Is er een beweegreden die net buiten het vizier van de lezer valt? Blijkbaar kan je je ware aard enkel terugkijkend opdelven en aldus de emotionele erosie ervan ontleden. Het gebeurt dikwijls dat er bij dergelijke opgraving iets naar boven komt wat Munro snel weer terug stopt. Een mogelijk zijpad ka n zomaar in een doodlopend steegje veranderen. Zand erover. Zoals bij Lorna (‘Post-and-Beam’) die op haar trouwdag niet uit angst of geluk huilt, maar omdat het ouderlijk huis dat ze zal achterlaten plotseling zo dierbaar aanvoelt. De lezer krijgt enkel dit detail. Munro lezen is vaak ook ook zelf Munro schrijven.
Het meest spectaculaire verhaal ‘Dimensies’ heeft een zeldzaam complexe man als epicentrum. Nadat hij zijn drie kinderen op gruwelijke wijze heeft vermoord, blijft zijn vrouw hem toch bezoeken in de gevangenis. Vervuld met een hartverwarmende gloed van mededogen luistert ze naar haar echtgenoot. In zijn monoloog die doet denken aan de illustere misdadiger Moosbrugger in Robert Musils ‘De man zonder eigenschappen’, komt de zelfkennis en het uitgestelde inzicht in de buitenwereld pas op het moment dat die wereld hem als een monster beschouwt.
Welbeschouwd lijkt Munro de essentie van lijvige romans te destilleren tot fijn uitgekiende hapjes waarin het volledige smaakpalet aanwezig is. In het proeven van deze amuse-gueules waan je je net als bij die andere grootmeester van het korte verhaal Raymond Carver op een roadtrip doorheen Noord-Amerika waarbij je lukraak halthoudt en binnengluurt in woonkamers bevolkt met doodgewone mensen. Het verschil is dat we bij Carver met de deur in huis vallen terwijl we bij zijn vrouwelijke tegenhanger via een veelzeggend detail, een weemoedige terugblik op het verleden of een te lang uitgesteld verlangen langzamerhand de levens binnenstappen. Door het raampje zien we een dove grootmoeder waarvan niemand weet wat ze denkt, een Charles Dickens-hater die het gevoel heeft in een van diens romans te zitten of een vrouw die teleurgesteld is in haar huwelijk. Deze beelden zijn even herkenbaar als verrassend. Munro neemt je hand en legt die op karakteristieke emoties en situaties waar je jouw vingers net niet op kunt leggen. Het is één van de grootste troeven van de literatuur: herkenbare dingen op papier aantreffen, maar dan mooier of preciezer verwoord.