Brieven aan mijn zoontje Louie

Eerste brief van Joachimus aan Louie Stopius.

Toen ik je daar zag liggen terwijl de verpleegsters je zoals bij een pitstop tijdens Formule 1 proper maakten, je reflexen testten en me de schaar aanreikten om het meest wonderlijke der wonderen door te knippen, kon ik enkel denken: Wat maak je enge bewegingen? En wat een grote voeten heb je? Hebben we een monstertje gecreëerd?

Wist ik veel dat baby’s net op het allereerste moment dat ze een teken van leven uitstralen, op hun lelijkste zijn. Wist ik veel dat die eerste reflexen raar ogen en bij alle nieuwkomertjes de voeten buitensporig groot lijken omdat ze nog zo dun en wit zijn in vergelijking met de rest. Wist ik veel dat je weldra zo ontzettend mooi ging worden. De bevreemding die ik de eerste momenten voelde, werd helemaal gedicht toen men je in mijn armen legde. Nabijheid van lichaam overbrugt mentale afstanden. Apetrots stapte ik naar je mama en toonde ik je met verbale opluchting: ‘alles is goed met hem, alles is goed.’ Cum laude op je eerste rapport.

Je bent nu een weekje oud en ik kan niet geloven dat je met je kleine lijfje al zo’n grote plaats in ons universum inneemt. Papa was een gewaarschuwd man: mijn leven ging hélemaal veranderen, de aarde zou plots omgekeerd draaien, links wordt rechts, onder wordt boven. In alle eerlijkheid: dat valt wel mee. Je zit volkomen in het verlengde van wat mijn leven vóór je komst was. Je bent de vlinder die als een uitgedragen cocon uit de liefde tussen je papa en je mama komt. Je bent gemaakt van het overschot van genegenheid tussen je ouders, alsof we van onze overlopende hartstocht een nieuw leven konden kneden die op zijn beurt hopelijk ooit zal overvloeien van liefde.

Je aanwezigheid voelt zo natuurlijk en organisch aan. Zo logisch ook. Het meest vreemd vind ik dat het helemaal niet zo vreemd is. Ik ben dus geen compleet ander mens geworden, maar ik voel me wel een stuk rijker. Rijker in zijn eenvoud. Papa heeft namelijk nogal de neiging om met het ene been op planeet hier en het andere op planeet ginds te staan. Jij houdt me hier en nu in het hier en nu. De rust die ik voel wanneer onze hartslagen een duet spelen als je op mijn borst ligt, is voor mij zo’n openbaring. Nooit verwacht! Spoedcursus mindfullness gratis aangeboden door een manneke van één week oud.

Ik ben heel lang bang geweest om een kindje te krijgen en mijn vrijheid in te wisselen voor verantwoordelijkheid. Ik had schrik om overal waar ik zou lopen een elastiek te voelen die altijd naar mijn kind zou leiden. Angst om niet langer geheel als individu te mogen ontsporen, verdwalen. Een kans tot escapisme die ik niet per se zou benutten, maar wel de aanwezigheid ervan zou blijven koesteren. Noem me voorbarig, maar ik ervaar het niet zo. Als er al een elastiek is, is die uit liefde gefabriceerd. Dat die liefde verantwoordelijkheid met zich meebrengt zal nog ongetwijfeld meermaals blijken. Ik weet intussen wat de bovenhand zal nemen en behouden. Love is all.

Zoals ik onder al die lagen mens-zijn blijkbaar ook een dik laagje papa in me heb, heb jij nog alle lagen in je. Je kan worden wie je wilt worden. Of nog liever -in de woorden van die maffe Duitser met zijn snor (nee, niet die, gekkie. Die andere)- ‘word wie je bent’. We zullen je vrij laten en helpen waar nodig om op deze maffe aardbol te beseffen dat cowboys de slechterikken en indianen de goeien zijn; dat niet iedereen met evenveel kansen aan de start vertrekt en dat liefde altijd en overal koning hoort te zijn. Ik herhaal me: Love is all.

Het vonkje waaruit jij bijna 8 jaar later bent gevormd, ontstond toen ik met je lieve mama Fien op een feestje in de zetel belandde. Steek het op het bier (of was het Heineken?) maar we lieten van in den beginne de pionnen voor wat ze waren en grepen meteen naar de koning en de koningin. Thema van een spontane eerste date: hoe we allebei apart ontdekten dat de zoektocht naar liefde en de queeste naar vrijheid geen afzonderlijke verhaallijnen hoeven zijn, maar met wat geluk samen komen. Los van elkaar hadden we zoals velen liefde als iets van mensen samen en vrijheid als een individueel pad gezien. Ik gaf mama het beeld dat niks weerhoudt om het wandelpad richting vrijheid te zien als een weg waarop je samen loopt. Je kan ook met z’n tweetjes vrij zijn. Dat papa daaraan het geleende woord ‘tweezaamheid’ plakte en deed alsof het copyright Stoop was om je mama in te palmen, kan je me hopelijk vergeven. Ik en mama lopen nu nog steeds op dat pad. Jij kwam ons sinds vorige week vergezellen. Eerst in de draaidoek, dan in je buggy, op je stepje, driewieler, fiets met en zonder extra wieltjes, op de scooter die je stiekem achter onze rug hebt aangeschaft, in je elektrische, computer gestuurde auto en tenslotte misschien met je eigen vonkje, overvloeiende liefde en cocon. Geen haast hoor. Je bent tenslotte nog maar zeven dagen oud.

 

 

 

 

 

 

 

Tweede brief van Joachimus aan Louie Stopius.
Psalmen 1:42 tot 3:14

Lieve Louie,

Je mama vroeg me vandaag wat ik het leukste vind aan papa zijn. Na even nadenken, zonder echt te twijfelen, noemde ik de aanraking, het voelen, jouw lichaamswarmte. De manier waarop je met de cadans van aanspoelende golven op een zomerdag met je mond tegen mijn wang ademt. Elke dag wordt de (her)ontdekking aangescherpt dat tastzin de puurste vorm van ervaren is. Reuk, gehoor en beeld creëren interpretaties die als omwegen de werkelijkheid verbuigen. Aanraking is aanraking: de meest basale, pure vorm van in de wereld staan. Je zal het later nog aan je huid merken als je diep geraakt wordt door een reeks woorden die je hand grijpen en je vingers leggen op wat je zelf net niet kunt uitdrukken; als je je favoriete liedje uit je puberteit na twintig jaar onverwacht terughoort; als je over een heuvel rent en op de top bijna opstijgt van geluk bij het goddelijke landschap tot de horizon en terug. Kippenvel is het uithangbord van de ziel. Je huid is je huis.

Als we over een paar jaar in de natuur lopen, zal ik je vertellen hoe je een bos zowel kunt zien als bos op zich maar evenzeer als som van bomen, en bomen als som van bladeren en takken, en bladeren als som van nerven. Een mens is een machtig wezen met een aangeboren vrijheid van inzoomen en uitzoomen. Je ogen, oren, neus en mond zijn sleutels waarmee je schatkisten opent. Met je huid de boomschors aaien is wonderlijk aarden. We zullen onze ogen sluiten, onze geest volledig vullen met aanraken en de wereld als een verdwaalde strandbal loslaten. Daarna pas zullen we de warme leegte volgieten met onze verbeelding. Ik zal je zeggen dat het grootste wonder op aarde de aarde zelf is. Dat de boom voor onze neus ringen in zijn stam draagt die stroken met onze planeet één keer rond de zon. Dat hier hon-der-den jaren geleden net als wij een andere papa en zijn zoontje stonden met handen vol schors en koppen even zonder kopzorgen. Jij zal me zeggen wanneer dat beloofde ijsje er nu eindelijk aankomt.

Omdat ik enorm van taal hou, vreesde ik vóór jouw blije intrede dat ik je eerste maanden maar niks ging vinden. Veel ellendige nachten, plus een beperkte improvisatie op grondtonen als slapen, kakken, huilen als hij niet kan slapen, huilen omdat ie onder de kak zit (of poep zoals ze in je raar thuisland zeggen). Bij enkele vaders komt hierdoor de echte klik pas bij eerste herkenning of woordjes. Bij mij in tegendeel. Vanaf dag één communiceren onze huiden als twee aparte golven die lang genoeg over elkaar vloeien om te beseffen dat ze uit hetzelfde water bestaan. We klikken, Louie. Als magneten. Jij de plus, ik te min. Onze huid is een tactiel kijkgaatje naar het heelal wat ons in oorverdovende stilte omringt, omarmt, omsluit. Wang tegen wang is de snelste route naar de sterren. Mijn binnenweg richting geluk.

Later zullen je eerste woordjes komen. dada, mama, papa, kaka.  Trotse woordjes na je eerste schooldag: maan, vuur, roos. En nog later komen je eerste vragen. Waarom is de lucht blauw? Omdat God stiekem van smurfen houdt. Waarom zijn meisjes zo stom? Om puisterige slungels op afstand te houden. Waarom zijn jij en mama een koppel? Omdat mama uiteindelijk toch op een puisterige slungel is gevallen. En dan komen ongetwijfeld ook de vragen waarvoor ik bang ben: Waarom wordt er gepest op school? In begin kan ik je nog iets wijsmaken: de ergste pester van de school wordt later als hij groot is sowieso een mislukkeling. Bullies schoppen het nooit tot bedrijfsdirecteurs, populitici (geen taalfout) of president van de Verenigde Staten.  Nog later, nog moeilijker: waarom is er oorlog? Waarom hebben jullie niet méér gedaan voor het klimaat en tegen ongelijkheid? Waarom zijn zoveel mensen boos op het Westen?

Hoe zal ik je in vredesnaam kunnen uitleggen dat er op jouw geboortedag ouders aanspoelden aan de voorspoedige oevers van Europa, misleid door Verlichting uitstralende vuurtorens, denkend eindelijk veilig voet aan wal te zetten om meteen weg te zakken in een moeras van kille tentenkampen en dito onthaal, met kindjes in ontrafelde draagdoeken negen maanden daarvoor verwekt in donkere schuilkelders waar mama en papa hun huiden lieten dansen en zingen tegen de donderslagen van de hel daarbuiten. Geboren als een speldenprikje hoop, een restantje warmte, een middenvinger naar dood en verderf. Hadden die mensen dan iets fout gedaan? Konden jullie niet meer doen voor hen? Mijn mond vol tanden zal boekdelen spreken. Ik weet niet wat er lastiger wordt: die keerzijde van de wereld verdragen, of ze verklaren.

En dat laatste, lieve Louie, is nu juist waar ik even niet aan denk als je ligt te knikkebollen tegen mijn warhoofd. Ik wentel me gaarne in jouw onwetendheid, in de zalige zuiverheid van je zijn. Later kan je nog genoeg aan bomen aaien, over heuvels rennen, pesters op hun plaats zetten, de wereld proberen plaatsen en leren hoe je met mama’s humor papa’s gefilosofiepieker kunt compenseren. Maar geen haast hoor. Je bent tenslotte nog maar een dik maandje oud.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Derde brief aan Louie Stopius.
Uittreksel uit het evangelie volgens Johannes de Stoper 3:14 tot 6:08

Lieve Louie, het wordt hoog tijd dat we het even uitvoerig over jouw mama hebben. Je zou denken dat je papa de gekste van je twee ouders is, gezien de momenten waarop hij met zijn grotesk gezicht veel te dicht over je komt hangen en met sopraanstem de vreemdste koosnaampjes op je loslaat. Maar laat je door die lawine aan Koekiemonsters, Kleine Freggels, Dikkie Diks en Chewie Chewbakkas niet in de maling nemen… het is je mama (ter stond door mij liefkozend met albinokonijn, Samson, ijsbeer, lastige Trees en Bossche Bol … betiteld) die werkelijk de zotste is ten huize Stoop-Huige. Louie, schrik niet als je later een boodschappenlijstje vraagt en van pokerface-mama een papiertje ter grootte van een postzegel krijgt met de etenswaren in microscopisch kleine letters. Verschiet niet als je ‘s avonds rustig op het toilet met boekje in de hand je ding doet, wanneer plots het licht uitgaat en je in het donker enkel witte tanden en gegrinnik opmerkt. Wees niet verbaasd als je na een monoloog waarbij je tot je eigen verbazing ein-de-lijk de zin van het leven verbaal benaderde, van je mama hoort: ‘Wacht! Kan je opnieuw beginnen? Ik heb niet geluisterd!’ Ja Louie, een verwittigde Chewie Chewbacca is er twee waard.

Maar je mama is niet alleen de grappigste vrouw in de Lage Landen, ze is een bodemloze schatkist aan kwaliteiten. Zoals een dobbelsteen geheel per toeval honderdachtendertig keer op rij telkens met één stipje boven komt te liggen, heb je het als zoontje getroffen met de unieke speling van de natuur, Fien Huige genaamd. Je mama is zowel lady als gaga, the voice of Holland (bij de deaf auditions), lowbrow met een knipoog, highbrow als ze er zin in heeft, alles wat je nodig hebt op een onbewoond eiland, de druppel die mijn oceaan doet overlopen en zo golven verwekt die aanspoelen op een voorheen ongekende kust van rust met daarop een enkele bloem die elke lente exact genoeg blaadjes telt om van me te houden.

Dit alles kon ik niet vermoeden toen ik haar voor het eerst zag op het Amsterdams antikraakfeestje (je weet wel, met die Heineken). Ik was als een gehaaide tortelduif met arendsogen op zoek naar een vrouwelijke versie van mezelf die urenlang over de katten en opwindvogels van Murakami kon praten, over Jimi Hendrix met The Experience of toch liever met The Band of Gypsys, en over Nietzsche en diens eeuwige terugkeer van hetzelfde – wat bij je mama veeleer als de perfecte voorzet van een grap zou dienen ‘Weet je wat de eeuwige terugkeer van hetzelfde is? Wat er uit jouw mond komt! En dan keihard lachen om haar eigen grap. Denk hierdoor niet dat ik de slimste in huis ben. Ik ben weliswaar meer belezen, maar je mama’s emotionele voelsprieten en psychologisch vernuft zijn zo hoog dat haar IQ dichtbij de warmte van haar EQ is gekropen om samen te groeien als kool. Ik vernoemde het al in mijn trouwspeech toen jij nog enkel uit sterrenstof en een vaag idee bestond: er reageert niemand ter wereld enthousiaster op leuk nieuws en niemand zal je meer begripvol, streng maar rechtvaardig ontvangen als je met een nota van de directeur thuiskomt omdat je stiekem lijm op de leraarsstoel hebt gegoten. Je mama’s luisterend oor werkt als een geöliede tandem samen met haar adviserende mond. Ze wordt ongetwijfeld jouw zorgzame gids die weet wanneer ze achter de schermen moet blijven als jouw souffleur van goede raad, en wanneer ze je los moet laten.

Nee, een wetenschappelijke studie of dating-site gebaseerd op gemeenschappelijke interesses had Vlaamse reus en het Hollands albinokonijn niet bepaald gekoppeld, maar geen handboek of expert kon me meer over liefde en mezelf leren dan je mama. Niet liefde, maar verliefheid is blind. Liefde is met de ogen wagenwijd open elkaars gebreken ontzien. Liefde is lief zijn, open staan voor uiteenlopende interesses, allebei weg stappen van het eigen gelijk om in het midden te kruisen, verbouwereerd zijn over hetzelfde onrecht, genieten van het ene moment, loslaten van het andere, verwondering delen, vragen stellen, frustratie uiten, luisteren, zorgen, klieren, ruzie maken, uitpraten, zingen, lachen, kletsen en morgen weer doorgaan. Eeuwige terugkeer…

Louie, later als je (met of zonder Augmented Reality-lenzen) hoopt de vrouw (of man) van je dromen te strikken, weet dan dat liefde méér gaat over overeenkomen dan over overeenkomsten. Maar geen haast hoor. Je bent tenslotte nog maar acht weken oud.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vierde brief aan Louie Stopius

Leviticus 6.57 tot 9.23

Terwijl je wel al kunt communiceren, kan je nog niet praten. Geen paniek, dat kan nog niemand op jouw leeftijd. Sterker nog: jullie negen weken oude monstertjes, missen nog een algeheel taalbesef. Ik vraag me dus oprecht af wat er dan wel in je hoofdje omgaat. Zijn je gedachten wazige droombeelden; je gevoelens de meest pure gewaarwordingen? Als je naar me lacht, spreek je dan bij gebrek aan letters, woorden en zinnen de enige echte taal der liefde of mag ik mezelf als papa nog niet zoveel eer toedichten? Er staat je nog wat te wachten jongen. Taal is immers al te vaak frustrerende onmacht om ladingen te dekken, maar evengoed zalig buiten de lijntjes van de realiteit kleuren. Taal is harten veroveren en geesten betoveren; het is alles tussen aardsgevaarlijk en pure schoonheid.

Dromen bijvoorbeeld, waarover gaan die op jouw leeftijd in jouw taalloos universum? Ik gok op een vage mengelmoes van mensen die je de hele tijd liefkozend aanspreken met Chewie Chewbacca, eeuwig propere kleren met sokjes van dezelfde kleur die gewoon wél allebei urenlang blijven zitten, in woonkamers boordevol overvolle borsten. Nu ik er zo bij stilsta: minimaal verschil met halfmannelijke dromen tussen je twaalfde en je achttiende.

Taal kan trachten de werkelijkheid als in een worsteling stabiel te houden om ze lamgelegd te vereeuwigen in formules en definities. Toch bewandelen werkelijkheid en taal veel vaker aparte paden en omwegen. Zo zit onze vocabulaire volgepropt met zegswijzen, spreekwoorden en metaforen die we vaak onbewust gebruiken. Wolkenkrabbers zijn gebouwen zo hoog dat ze aan de wolken krabben. Huismussen, pechvogels, proefkonijnen, kippen zonder kop zijn warempel geen dieren maar mensen. Het gaat ver hoor, Louie! Bomenknuffelaars en geitenwollenssokkendragers die in komkommertijd muggenziften en mierrenneuken over huisjesmelkers zeggen dat het vijf voor twaalf is maar botsen op een dovemansgesprek en struisvogelpolitiek omdat ze van een mug een olifant zouden maken.

Taal is dus een onophoudelijk feest! In het Shakespeareaanse dialect van mijn geboortedorp Beveren, zegt men bijvoorbeeld: ‘Keenders: asse joonk zin zudde ze willen opfretten, a se our woure krigde spijt dagget nie gedoun et.’ Vrij vertaald: ‘ Kinderen: als ze jong zijn zou je ze willen opeten, als ze ouder worden, krijg je spijt dat je ‘t niet gedaan hebt.’ Zo’n ogenblikken van ‘willen opvreten’ zijn trouwens niet zeldzaam. De lastigste situatie om te vermijden dat ik mijn vertedering letterlijk zou verteren, is wanneer je eigenlijk moet slapen maar aan de geluidjes en bewegingen vanuit de wieg te horen, daar even geen zin in heeft. De fopspeen (nog zo’n woord waarbij ik nooit echt bij heb stilgestaan dat je de baby daar daadwerkelijk mee ‘fopt’) moet dan door een sluipende ouder tot in zijn mond gebracht worden. Geruisloos als een paracommando begeef ik me dan richting wieg, gluur ik van achteren net over je rieten dakje, steek zorgvuldig mijn hand uit zoals een spin haar vlieg benadert en doe de speen in je mondje. Zo goed als elke keer mislukt dit. Je opent dan net op tijd jouw ogen om mijn terugtrekkend gezicht te fixeren en me met zo’n gulzige lach te verwelkomen dat ik je wil… opeten is het niet echt. Ook hierin schiet taal tekort. Ik wil zoiets als de vage grenzen van de menselijke huid opheffen en op atomair niveau versmelten. Ik wil één worden, met je samenvallen, samen vallen doorheen era’s en lichtjaren en zwarte gaten tot we de historische ballast afwerpen, de onvermijdelijke onmenselijkheid van mensen en de zorgen over de toekomst kunnen uitbannen. Louie, met taal ridderlijk aan onze zijde, wil ik de korrels uit zandlopers onvindbaar leeggieten in verloren gewaande woestijnen, Pietje de dood omkopen om Vadertje Tijd om te leggen en de wereldklok pauzeren om voor eeuwig van ons momentje te genieten. Ik wil het heelal met ezelsoren op in de hoek zetten en geschiedenis herschrijven tot één enkele zin waarin mijn liefde voor jou als een dikke laag graffiti de ganse aardbol verfraait. Maar telkens wanneer we eventjes voor altijd in dit liefdevol vacuüm vertoeven, klopt de werkelijkheid onverbiddelijk aan -gebukt onder een historische erfenis van tekortschieten staat ze voor de deur met in haar vermoeide armen de onvervulde droom waarin alle kinderen met evenveel welvaart, vrede en liefde omringd worden als jij.

Ik wil je alles en meer geven, Louie, maar wat ik je het allerliefst had willen bieden, is niet voorhanden: geboren worden in een wereld waarin kansarmoede kansloos is, alle bloedvergieten voorgoed vergoten en slechts eén uitgestorven diersoort, de geldwolf. Ik kan wel pogen je via taal over een wereld te vertellen waarin Vladimir, Kim Jung, Recep, Bashar, en Donald onderbetaalde poetsmannen zijn, waarin natuur koningin is met mensen als onderdanen, maar na dit talig uitstapje moeten we onverbiddelijk terug naar de onverbloemde werkelijkheid. Ja, kleintje, papa houdt van grootspraak, maar dat is waarschijnlijk om zijn eigen beperktheid te camoufleren.

Louie, hoewel je nog aan de borst hangt, krijg je al veel op je bord. Je bent nog te jong om te jongleren met woorden en alle metaforen te tellen in bovenstaande brief. Dus geen haast hoor. Je bent tenslotte nog maar negen weken oud.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vijfde brief aan Louie Stopius
De lotgevallen van Epicurus, Hypocritus en Icarus.

Lieve Louie,

je hebt nu al vier brieven achter je nog onbestaande kiezen. De eerste ging natuurlijk over je geboorte, jouw eerste levensweek en de start van mijn tweede leven. In de volgende had ik het over zintuigen, meer bepaald de kracht van aanraking. In de derde stond mama Fien centraal en de vierde zwoegde met de macht en onmacht van taal. Genoeg verstoppertje gespeeld dus: tijd om eindelijk te tonen wie je papa is.
Je papa is rustig, warmbloedig, en toch heetgebakerd. Ik kan me moeilijk verzoenen met sterfelijkheid en onomkeerbaarheid. Ik ben trots, met een grote angst om pretentieus of arrogant over te komen. Ik ben slordig in wat me koud laat en perfectionist in mijn passies. Mijn zelfzekerheid en onzekerheid organiseren dagdagelijks een wedstrijdje worstelen.
Wacht, nu maak ik het mezelf veel te gemakkelijk. Laat ik enkele aspecten feller belichten:

Ik ben een typische voorgerechtenman.

Ruim de tijd nemend overschouw ik de mogelijkheden, breng mijn associatieve geest aan de kook en experimenteer met passende combinaties. Vaak is het lekker, soms mislukt het. Maar who cares? De weg is belangrijker dan de bestemming; vrijheid essentiëler dan juistheid; het samenstellen crucialer dan het smakken en smaken. Je mama daarentegen is een dessertvrouw. Met het kookboek opengeslagen, gewogen ingrediënten en afgestreken lepeltjes verzilvert ze het gerecht dankzij haar goede zorg en precisie. Indien dit koud klinkt, zie het dan als roomijs na een middagje speeltuin: verfrissend en toch zoet. Soms durft ze er wel eens een snufje zout , een blaadje basilicum of een chilipeper toe te voegen, want uiteindelijk is zij wilder, creatiever en gekker dan papa.

Ik ben een geheugenman.

Ik heb sowieso een waanzinnig waterdicht geheugen. Ik ken de naam nog van het Franse dorpje dat ik op mijn tiende in Frankrijk met mijn ouders bezocht én wat we daar aten én welke chateau’s we bezochten. Van een totaal andere dimensie zijn mijn herinneringen over twee dingen: de leeservaring op mijn dertiende van Tolkien’s In de ban van de ring en mijn eerste Indiareis tien jaar geleden. Ik kan de rest van mijn leven blijven vertellen over het belang hiervan voor mijn essentie én over de intensiteit van de gewaarwording van het her-inner-en: het opnieuw naar binnen loodsen van wat ooit was. Zie het als stokpaardjes die in eeuwig groene grassen grazen als evergreens op grijs gedraaide groeven van LP’s op zolderkamers. We hebben voor dit soort diepe en scherpe herinneringen andere begrippen nodig. Hetzelfde met woorden als liefde en verdriet, rouw en geluk die verre van ver genoeg kunnen grijpen omdat ze al te vaak hun stempel hebben gedrukt in meer dagdagelijkse context. Het kussentje inkt is dus al opgedroogd. Sommige gevoelens en verlangens vergen verf.

Ik ben en blijf jeugdig enthousiast en dankbaar.

Druppelsgewijs kan ik van dingen blijven genieten: dat tomaat totaal anders smaakt dan aardbei, hoe ons appartement uitkijkt op een park, over hoe Booksounds mijn twee grootste passies verzoenen, over het schrijven voor het tijdschrift waarvoor ik vroeger elke donderdagochtend met mijn zus om vocht om het als eerste te pakken te krijgen; over het feit dat ik van mijn ouders een opvoeding heb genoten met een onevenaarbare balans tussen warmte en verwachtingen, vrijheid en grenzen. Over die ene dag waarop ik de trein heb genomen richting Amsterdam om uiteindelijk totaal onverwacht in de zetel naast de vrouw van mijn leven te belanden, over dat jij er bent en dat we leven…

Ik ben hypocriet.

Als hypocrisie betekent dat wat je doet omgekeerd evenredig is met wat je weet en zegt, dan fiets ik vooraan in het peloton der schijnheiligen, in achtervolging van een nooit meer in te halen kopgroep van Brusselse politici die geld voor daklozen in eigen zak steken, priesters die met de ene hand naar de hemel wijzen terwijl ze met het andere geniepige handelingen onder het altaar doen en zowat elke regeringsleider die de vinger wijst naar corrupte regimes terwijl ze met het ander hand er stiekem geld van aanneemt voor wapendeals. Die Oxfam-medewerkers met hun minderjarige sexfeestjes in het zwaar getroffen Haïti bevinden zich al lang over de finishlijn.
Maar ik ben dus hypocriet. Dat ik wellicht tot de meest hypocriete generatie ooit hoor, verzacht dit slechts gedeeltelijk. Wij zijn het vol in de zon badende, globetrottende, benzine tankende, vlees verslindende, huizen bouwende volkje dat de laatste 10 jaar stuiterend tegen zowat alle lampen en muren is gelopen. Wij, plastic people, kwamen, zagen, overwonnen … en lieten een berg smerigheid achter. Wellicht zijn we ook de meest welvarende, gefortuneerde generatie ooit, maar hebben te laat ontdekt dat je het nooit massaal goed kunt hebben in een moreel en ecologisch vacuüm. Welvaart bestaat niet zonder bloederige vertakkingen en doornige wortels in vreemde gronden. We hebben met mondjesmaat geleerd dat zowat voor elke lach hier een zweetdruppel of traan elders neerdaalt; dat mijn hoera bij een geslaagde shopping dag andermans tragische werkdag kan betekenen; dat mijn hedonistisch leventje een ecologische prijs kent. Zoals de eerste wet van theormodynamica stelt dat geen energie ooit verloren gaat of uit niets kan ontstaan, is er ook op mensenmaat geen actie zonder repercussie. Als er al sprake is van yin en yang is het dit wel: voor wat je neemt, wordt meestal ergens wel een offer gebracht door natuur of onzichtbare medemens. Ondanks dat ik dit allemaal weet en al jaren opschrijf, blijf ik gretig nemen. Ik bestel online kleren; ik mijd niet consequent genoeg plastieken verpakkingen; als het regent en ik moet veel boodschappen tillen, neem ik soms de auto; als ik merk dat mijn vliegticket naar Engeland minder dan de helft kost van een treinticket smelten mijn principes als sneeuw voor de zon. Blijkbaar is de hardnekkige aanlokkelijkheid van consumptie sterker dan mijn wilskracht. Het is zo moeilijk om dit patroon te doorprikken, zelfs nu jij hier bent. Het is dus afkicken hoor, dat grenzeloze kapitalisme! We hebben onze aardbol dermate dolgedraaid dat de natuur de kluts kwijt is en de mens duizelig ronddwaalt. Ik heb hier een vies vuil steentje aan bijgedragen, terwijl jij en je (klein)kinderen de boel moeten zien op te kuisen. Pompen of verzuipen. Daarvoor is geen verontschuldiging doortastend genoeg.

Ik ben papa Joachim.

Hoe wonderlijk te merken hoe mijn liefde voor jou nog dagelijks kan toenemen. Dubbel wonderlijk omdat dit merkbaar groeit tot iets onvergelijkbaar met mijn liefde voor je mama. Liefde heeft meer gezichten dan ik dacht en het jouwe geeft me levensvreugde. In je gezicht begin ik ook meer fysieke gelijkenissen tussen ons te zien. Hoe je blik angstig verfrommelt als je in een warm badje wordt ondergedompeld en hoe het erna traag opklaart bij gewenning. Dezelfde smoel die we trekken als jij die vieze vitamine K ingelepeld krijgt en ik op pakweg zondagochtend een vies bruistablet naar binnen giet. En niet te vergeten: de groei van je voetjes zit boven de curve.

Als je nu over mijn hypocrisie terecht denkt dat het niet te laat is om te veranderen, zeg dan niet: ‘geen haast hoor’, want ik ben tenslotte al negenendertig jaartjes oud.

 

 

 

 

 

Zesde brief aan Louie Stopius (voor een schrijfwedstrijd: deels herhaling)

Lieve Louie,

wanneer jouw uitbundige lach me vanuit de wieg tegemoet komt, zie ik wat vele volwassene najagen: volledig ontdaan van het eigen ik naar hogere sferen opstijgen en zichzelf eventjes vergeten. De beoogde terugkeer naar dit oergevoel kent vele gezichten: de roes van alcohol, de shanti van meditatie, de hitte van passie, de magie van muziek, de knal van kunst, de zzzing van drugs, de steun van religie, de troost van schoonheid en de schoonheid van al deze troost. Overal op deze aardbol liggen dingen verspreid die je de vaste grond van alledag kunnen doen ontstijgen. Als eenmaal je venster op de wereld wat meer samenvalt met de brede horizon, zal je beeldige gebouwen, schitterende schilderijen en ware woorden aantreffen. Van de metamorfosen door Ovidius, Kafka, Philip Glass tot een rups die zich geduldig tot vlinder ontpopt: de wereld is zo rijk, Louie, vol met schatten waarvan je zegt: ‘enkel en alleen al dit muziekstuk, deze voorstelling, dit kunstwerk maakt mijn leven het leven waard.’ Toen ik bijvoorbeeld de laatste bladzijde van Richard Powers’ epische roman ‘Het zingen van de tijd’ had gelezen, was ik een tikkeltje teleurgesteld. Dit had immers voor mij het boek der boeken kunnen worden indien de auteur op het eind was teruggekomen op een bepaalde scène van eerder in zijn roman. Toen ik achteloos een pagina verder bladerde, zag ik pas de epiloog. Met mijn gezicht doorweekt met tranen las ik de verwerkelijking van het door mij gesmeekte slotstuk en bedacht ik voor de zoveelste keer: ‘een goed boek lezen is gelijk aan een extra gewonnen leven.’ Ook de mmm van muziek, musea en voor sommigen van een misviering (met één ‘s’) kunnen deze rijkdom aanstippen. Het is vreemd hoor: je hele leven zal je worden gevraagd hoe het op school gaat of wat voor werk je doet, terwijl de dingen die er écht toe doen amper de moeite van het polsen waard Blijken. We hebben onze baan, status, positie tot platgetreden hoofdweg gepromoveerd terwijl we uiteindelijk allen hunkeren naar zijpaden waarin we mogen verdwalen. Als je ooit op een afgelegen camping met je beste vrienden naar de sterrenhemel tuurt en nageniet van een zomerdag waarop je in een autorit vergezeld van Pink Floyd tussen kerkjes en musea leek te dwarrelen, zal je begrijpen wat papa bedoelt. Geloof me, het licht wat tijdens die roadtrip invalt op de glooiende heuvels en samenvalt met een specifieke geur van bloemen, zal je langer bijblijven dan eender welk schoolrapport (waarmee je vader niet wil zeggen dat je daar je best niet voor hoeft te doen 😉 Alle wegen leiden niet naar Rome, maar naar boven. Het is de zwaarte, de kracht, de zwaartekracht van alledag die ons in het hier en nu houdt. Ik denk dat we allen een onweerstaanbare drang meedragen om te versmelten met wat groter is dan onszelf. Dit opgaan in het geheel sijpelt door in patriottisme, winkelcentra, bedevaartsoorden, wereldkampioenschappen. Oh, wat vormen we graag een -liefst onmisbaar- puzzelstuk van een geheel wat we bewonderen of waarin we ons thuis voelen.

Dit klinkt wellicht allemaal heel ingewikkeld voor je. Sommige dingen zijn gelukkig ook verbazend eenvoudig. Je mama vroeg me vandaag bijvoorbeeld wat ik het leukste vind aan papa zijn. Na even nadenken, zonder echt te twijfelen, noemde ik de aanraking en jouw lichaamswarmte. De manier waarop je, zoals de cadans van aanspoelende golven, met je mond tegen mijn wang ademt. Elke dag wordt de (her)ontdekking aangescherpt dat tastzin de puurste vorm van ervaren is. Je zal het later nog aan je huid merken als je diep geraakt wordt wanneer je je favoriete liedje uit je puberteit onverwacht terughoort of als je over een heuvel rent en op de top bijna opstijgt van geluk bij het goddelijke landschap rondom je. Kippenvel is het uithangbord van de ziel. Je huid is je huis. Vanaf dag één communiceren onze huiden als twee aparte golven die lang genoeg over elkaar vloeien om te beseffen dat ze uit hetzelfde water bestaan. We klikken, Louie. Als magneten. Jij de plus, ik te min.

Louie, als we later in de natuur lopen, zal ik je vertellen hoe je een bos zowel kunt zien als bos op zich, maar ook als som van bomen, en bomen als som van bladeren en takken, en bladeren als som van nerven. Een bos is kunst van de hoogste orde en de mens is een machtig wezen met een aangeboren vrijheid van in- en uitzoomen op deze kunst. Je ogen, oren, neus en mond zijn sleutels waarmee je schatkisten opent. Met je huid de boomschors aaien is aarden. We zullen onze ogen sluiten en de wereld als een verdwaalde strandbal loslaten. Ik zal je zeggen dat het grootste wonder op aarde de aarde zelf is. Dat de boom voor onze neus ringen in haar stam draagt die stroken met onze planeet één keer rond de zon. Dat hier honderden jaarringen geleden net als wij een andere vader en zijn zoontje stonden met handen vol schors en koppen even zonder kopzorgen. En jij …jij zal me vragen wanneer dat beloofde ijsje er nu eindelijk aankomt.

Je bent een mens; een druppel in de mensenzee. Mensen zijn onderling uniek, maar ook als soort zijn we onvergelijkbaar. We zijn de enige dieren die werkelijk beseffen dat ze leven en dat er zoiets als tijd bestaat, hoewel ook wij moeten roeien met de riemen die we hebben. Zo las ik in De werkelijkheid is niet wat ze lijkt van fysicus Carlo Rovelli dat we ‘tijd’ enkel ervaren omdat ons brein te beperkt is. Met hersenen die honderd procent compatibel zouden zijn met natuurwetten en universum, zouden vroeger, nu en later gewoonweg niet bestaan. Tijd tikt dankzij -niet ondanks- ons. Tijd voelt soms aan alsof ik de godganse -tja- tijd een heel zacht, quasi onmerkbaar duwtje in mijn rug krijg. Steeds maar vooruit. Ik kan wel achterom kijken, maar nooit rechtsomkeer maken. Tik tik tik duw duw duw stap stap stap… Even stilstaan bij het hier en nu is dus ironisch genoeg juist halt houden bij het besef dat we vooruitgaan. In het moment leven is het traag voorbij zien gaan. Zo is de mens de maat van alle dingen. Met uurwerk, beitel, pen(seel), dirigeerstokje in de ene hand en jammer genoeg met wapens in de andere geeft hij door de geschiedenis heen de maat aan. De Homo Sapiens schept Goldberg-Variaties en goelags, Guernica als slachtpartij en als schilderij, machtig grote piramides en de slavenarbeid die hun bouw moest bewerkstelligen. Louie, geloof me: er is niks mooier en er is niks lelijker dan de mens. Ik hoop, dat je met jouw leventje de mooie kant op kruipt, stapt, loopt.

Indien je me later vraagt: ‘Papa, waarom leven wij?’ heb ik geen idee. Jouw zoektocht naar wijsheden zal sowieso wijzer zijn dan je bestemming. Daarin zal ik je proberen loslaten. Waar ik je iets nadrukkelijker in de juiste richting wil sturen, is bij de vraag: ‘Papa, hóe moeten we dan leven?’ Kunst, religie, filosofie staan hoog, maar ethiek staat er wat mij betreft boven. Er is niks mooier dan iets moois doen voor een ander. Ook dat is kunst. Maar ik moet toegeven dat ik deze levenskunst zelf te weinig toepas. Het is ook voor mij moeilijk om geen kind van mijn tijd te zijn. Een tijd die te fel wordt overschaduwd door zelfzucht en een hartvochtigheid die hartelijkheid als naïef bestempelt. Alsof onze blik op de medemens standaard op selfie staat. Hoe zal ik je kunnen uitleggen dat er op jouw geboortedag ouders aanspoelden aan de voorspoedige oevers van Europa -misleid door vuurtorens die wereldwijd Verlichting uitstralen. Vluchtelingen die denken eindelijk veilig voet aan wal te zetten om meteen weg te zakken in een moeras van kille tentenkampen en dito onthaal, met baby’s in ontrafelde draagdoeken negen maanden daarvoor verwekt in schuilkelders waar mama en papa hun huiden lieten dansen en zingen tegen de donderslagen van de hel daarbuiten. Kinderen geboren als een speldenprikje hoop, een restant warmte, een middelvinger naar dood en verderf. ‘Hadden die mensen dan iets fout gedaan?’ zal je me vragen. ‘Konden jullie niet meer doen voor hen?’ Mijn mond vol tanden zal boekdelen spreken. Ik weet niet wat er lastiger wordt: die keerzijde van de wereld verdragen … of ze je verklaren. Ik wil je alles en meer geven, Louie, maar wat ik je het allerliefst had willen bieden, is niet voorhanden: geboren worden in een wereld waarin kansarmoede kansloos is, alle bloedvergieten voorgoed vergoten en slechts één uitgestorven diersoort: de geldwolf. Ik kan wel pogen je via taal over een wereld te vertellen waarin Vladimir, Kim Jung, Bashar en Donald onderbetaalde poetsmannen zijn, waarin natuur koningin is met mensen als onderdanen, maar na dit talig uitstapje moeten we onverbiddelijk terug naar de onverbloemde werkelijkheid. Ja, kleintje, je vader houdt van grootspraak, maar dat is ongetwijfeld om zijn eigen beperktheid te camoufleren.

Ik heb het gevoel dat ik je met deze brief alles en niks heb verteld. Ik weet zelf niet goed wat je uit deze woordenbrij kunt opvissen. Wat ik je vooral wil zeggen is dat het leven de moeite waard is, dat kunst overal is, Vadertje Tijd relatief en Moeder Natuur absoluut. En dat je op je schattenjacht het goede moet proberen doen voor andere schattenjagers. Terwijl je nu nog hooguit pap drinkt, krijg je hier wel al een hele boterham op je bord. Neem dus rustig de tijd om lekker te zoeken, verdwalen, schatten delven. Geen haast hoor, je bent tenslotte nog maar zes maandjes oud.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zevende brief aan Louie Stopius,                                                                                                                                                             over 40 worden en me in de schoenen van anderen verplaatsen met m’n schoenmaat 50

Lieve Louie,

Wellicht denk je nu vaag dat je naam niet ‘Louie’ maar ‘Gijliefliefjongetje’ is. Er zijn immers geen woorden die ik sinds januari vaker de wereld heb ingestuurd. Wanneer je bijvoorbeeld verwonderd kijkt naar de beweging van je eigen vingers: nog nooit heb ik iemand zo blij gezien met lege handen. Wanneer we samen zoveel lachen dat men ons zelfs tijdens een Monty Pyton-marathon zouden buiten kijken. Of zoals je hier als een gewonde soldaat in de loopgraven van onze living voorbij kruipt. Gijliefliefjongetje sluipt weer langs. Reeds vanaf je geboorte zeg ik: ‘afgelopen week was zijn schattigste en leukste week ooit.’ Volgens mama -die er altijd een schepje bovenop doet -is de puberteit door de natuur bedacht zodat ouders het anders niet aan zouden kunnen hun kinderen voorgoed het ouderlijk huis te zien verlaten.

Ik had in de aanloop tot je geboorte verwacht dat mijn grote kantelpunt ging draaien rond vader worden en een vaderrol die zich met ellebogenwerk tot op de meest prominente plaats in mijn leven ging manoeuvreren. Joachim: zoon van, partner, vriend, collega, soms gewillig eenzaat, en plots na negen maanden tromgeroffel… vader. Maar niks daarvan: de dagelijkse ‘wow, ik ben gewoon papa’ wordt helemaal overvleugeld door het dagelijkse ‘ik heb een zoon.’ Geen enkel epicentrum is meer episch dan jij die er bent. Het voelt dan ook raar te beseffen dat je voor 99,9999999999% van de wereldbevolking gewoon slechts een doorsneebaby bent. Maar Louie, je bent de zoon van m’n leven.

Ik heb me tot rond mijn 35e quasi onsterfelijk gevoeld, alsof m’n eeuwige jeugd zich zo ver zou strekken dat ze de kromming van jaren en rug wegduwt en al doende gladstrijkt. Onomkeerbaarheid heeft me de laatste vijf jaar nadrukkelijker doen beseffen dat zandlopers onwrikbaar vastgeroest zitten aan het tijdsgewricht en koppig zand blijven lozen op onze eenrichtingstraten. Het is geschift hoe koortsachtige zoektochten naar je eigen kompas en de horizon op onze tollende toverbol, je een gevoel kunnen geven dat je bestaan een pijl is die nooit zal landen. De laatste tijd begrijp ik dat je de leeftijd van veertig niet gans je leven onbenaderbaar oud kunt vinden. Op een dag vindt het jou en bén/ben je het gewoon/gewóón. Een vriend vertelde me dat hij het zo zalig vindt om met de geboorte van zijn dochters opnieuw vanaf nul te kunnen tellen. Hun verjaardag is ook een nieuwe jaartelling. Een doorstart.

Ja, ik weet het. Een paar jaar geleden kon ik me nauwelijks verplaatsen in het oudergevoel van anderen. ‘Als ik ooit een computermuis op een matje ga verplaatsen waarop de foto van mijn lachende baby is gedrukt, schiet me dan af.’ Dat jouw lachend gezicht nu zowel mijn smartphone-startscherm siert én aan mijn sleutelbos hangt, is zowel een teken van metamorfose als een tekortschieten in mijn verplaatsing in de hoofden van anderen. Zelfs in empathie ben ik blijkbaar egocentrisch.

Ik heb trouwens de laatste jaren ontdekt dat mijn empathie in feite vaak een verdoken vorm van projectie is. Als het me al lukt om in de schoenen van een ander te staan, neem ik zoveel van mijn bagage mee dat het schoentje knelt. (Neem dit in papa’s geval maar zo letterlijk en figuurlijk als je maar kan.) Soms heb ik medelijden met iemand, enkel en alleen omdat ikzelf in zijn geval over iets ongelukkig zou zijn en ga zo totaal voorbij aan de mogelijkheid dat die ander daar misschien niet onder gebukt loopt. Wat is mijn medeleven dan waard? Wat is het meer dan doorheen een venster kijken en onbewust de contouren van een ander met je eigen spiegelbeeld doen samenvallen. Maar bestaat er ergens wel een mens die zich met diens gehele menselijkheid in de ander verplaatst en toch de eigen persoonlijkheid thuislaat? Of is dat helemaal niet de bedoeling?

Kinderen krijgen zet je nog meer aan het denken over alle kinderen van de wereld. Sommige mensen worden vanwege hun ouderschap zachter jegens de medemens. Het beeld van een verdronken kindje van vluchtelingen op een Grieks strand komt wellicht nóg harder aan als je daarbij aan je eigen peuter denkt. Maar anderzijds krijgen ouders dikwijls de neiging om vanuit de bescherming van hun oogappel de medemens juist als potentiële dreiging te zien. Ik meen dat deze twee reacties in eenzelfde ouder voorkomen en een voortdurende innerlijke strijd leveren. Ik kan me zelfs voorstellen dat iemands politieke voorkeur mede wordt gestuurd door de onbewuste weging van deze twee uitersten.

Kinderen krijgen is dus op ethisch vlak boeiender dan pakweg vijf jaar studie in de Moraalfilosofie. Kinderen krijgen is het meest normale en abnormale wat er is; het meest unieke en meest gangbare. De meest koersbepalende en toch hoogst bestendigende weg.

Ik heb geen idee of jij deze route ooit zult inslaan. Maar geen haast hoor, je bent tenslotte nog maar negen maanden oud.

 

 

 

 

 

 

Achtste brief aan Louie,                                                                                                                                                                                    een jaar in het leven van Eros en Thanatos: deel 1

Lieve Louie,

afgelopen jaar was zowel het somberste als het gelukkigste jaar uit mijn leven. Ik voelde me gesandwiched tussen twee realiteiten. Je zou kunnen denken dat die twee uitersten elkaar wegstrepen en zo een gemiddeld jaar vormen, maar zo werkt het natuurlijk niet. 2018 bracht ik met je mama in een bootje door. Het was er nooit windstil. Op 24 januari meerden we aan op de meest gelukzalige der kusten waar jij op ons wachtte. Dankbaar hielpen we je aan boord. Oogstrelende vergezichten wisselden af met woeste golven.
Op 1 januari 2019 kwam je oma Monique aan bij haar laatste kust. Jouw allergrootste fan werd 69. Ze noemde jou ‘mijn allerbeste medicijn’, maar zelfs dat mocht niet baten. Nu voel ik een vreemdsoortig windstil; een razende kalmte; een stilte
na de storm. Het lijkt alsof alles een graad kouder aanvoelt: alsof er een raampje in het verste uiterste van het heelal openstaat waardoor er voortdurend een kille bries doorheen de kosmos waait. Het lijkt dat de foute mutatie in oma’s cellen is overgegaan tot een fout in het universum. Het klopt daarbij echt niet dat de 1m75 van je oma weg is. Haar afwezigheid voelt aan als tientallen vierkante kilometers. Er is een gat in de ruimte en de harten van mij, je mama, opa, tante en co hebben veel tijd nodig om onze levens weer heel te maken. Door dichter bij elkaar te kruipen, hebben we meer kans om -gehecht als blok- het gat te dichten. De herinnering aan haar warmte doet hierbij wonderen.

Zo leken er afgelopen jaar twee Joachims te bestaan: de ene intens gelukkig met zijn zoontje, de tweede intens ongelukkig met de ziekte van zijn mama. De ene Joachim lag ‘s nachts wakker met gedachten die maand na maand afgleden naar donkerder: als mijn mama maar terug geneest … hopelijk kan mama’s leven nog met een paar jaar worden verlengd … mijn mama gaat dood … mijn mama is dood … ik mis mijn mama. De tweede Joachim moest een jaar lang de eerste Joachim uit bed komen halen, met de plicht van een verse dag, met jouw babylachje, met de hoop van het ochtendgloren.

Het cliché klopt: de geboorte van je eigen kind kan je niet op voorhand indenken of invoelen. Maar exact hetzelfde geldt voor de dood van een ouder. In mijn vorige brief aan jou schreef ik: ‘Tijd voelt soms aan alsof ik de godganse -tja- tijd een heel zacht, quasi onmerkbaar duwtje in mijn rug krijg. Steeds maar vooruit. Ik kan wel achterom kijken, maar nooit rechtsomkeer maken. Tik tik tik duw duw duw stap stap stap… Even stilstaan bij het hier en nu is dus ironisch genoeg juist halt houden bij het besef dat we vooruitgaan. In het moment leven is het traag voorbij zien gaan.’ Wel, het meest afschrikwekkende aan oma’s kanker was de forsheid waarmee deze in haar rug duwde. Het ging zo snel. Het voelde voor ons aan alsof we hartstochtelijk de doorgang naar de dood voor de geliefde wilden barricaderen … met een handvol zandkorrels. Ik vraag me vandaag af: moeten we het laatste jaar van haar aftakeling als een aparte periode beschouwen: als donker sluitstuk van een licht leven; een kwellende epiloog in contrast met al dat moois wat ervoor kwam? Of moeten we dit aartsmoeilijke jaar bij het geheel van 68 prachtige jaren voegen, goed schudden, zodat het als gif wordt opgenomen in het geheel en alles nog drinkbaar blijf?

Nee, geen van beide. We moeten deze laatste periode juist zien als exemplarisch voor de bijzondere band tussen mijn ouders en hoe vanaf de eerste diagnose er enkel een breekpunt kwam in hun zorgeloos levensgenot, maar nooit in hun symbiotische liefde. Hoe zij hiermee omgingen, lag perfect in het verlengde van al wat voorafging. Je opa verdient hierbij voor zijn zorg en veerkracht de inhuldiging van zijn standbeeld in plaats van het afscheid van zijn geliefde.

Voor jouw komst een ooievaar, voor haar heengaan een witte reiger … het was overduidelijk een jaar van eerste en laatste keren. Jouw leventje is sowieso een aaneenschakeling van grandes premières. Veel van die eerste keren heb ik gefilmd en naar je trotse oma gestuurd. Haar overlijden was een punt van omschakeling tussen alle laatste keren met haar en alle eerste keren zonder. Rouw is hierbij het doorworstelen van al die eerste keren in haar opvallende afwezigheid: de eerste keer dat ik de neiging heb om haar te bellen, de eerste keer Black magic woman terughoren, deze eerste brief aan jou die zij nooit zal lezen. Rouwen is durven, zegt je moedige opa. Rouwen is confrontaties aangaan. Het is een zoektocht waarbij je tegelijk de mooie herinneringen, het heldere beeld, de stem van de overledene wilt bijhouden, terwijl je jezelf ooit wilt terugvinden en heruitvinden voorbij de diepste pijn van het verlies. In rouw zit dus de vooruitblik om iemand hartelijk te kunnen missen zonder al te veel hartzeer. Een hart en een geheugen die hand in hand overuren draaien om het kaf van het koren te scheiden: glimlach hier, pijn daar; warme anekdote hier, kille momenten daar; gezonde jaren hier, kankerjaar daar; het zoete hier, het zure daar. Alzo de essence d’amour destilleren en onderweg de pijn als kruimels achter ons laten.

Louie, als we later gaan kamperen en we kijken samen naar de maan met haar geleend licht van een gewonnen dag, zal je me misschien vragen of er een einde zit aan de sterrenhemel. Wellicht zal ik je het volgende antwoorden: ‘De mens is te nietig en ons brein te klein om zowel te bevatten dat de ruimte eindig is (want wat zit er dan voorbij dat einde?) en dat ze oneindig is (maar dat is toch veel te groot en … euhm te oneindig?). De onmogelijkheid van ons begrip hiervan komt wat mij betreft overeen met de dood van je lieve oma. Het zijn twee paradoxen waarbij beide tegenpolen onmogelijk lijken. Het eeuwige leven is onmogelijk en onwenselijk, maar het kan toch ook niet dat haar warmte plots zomaar de wereld uit is. Hoe kan zo’n levendig leven plots zo doods dood zijn? Het sterven van een mens is als het eindpunt van het universum. Wat daarachter schuilgaat, ligt buiten ons blikveld. Veel essentiëler is dat het de achterblijvers zijn die eigenhandig oma’s warmte bijhouden wanneer haar kaars gedoofd is. Exact zoals er volgens de Eerste wet van de thermodynamica nooit energie verloren gaat; en exact zoals het licht van de sterren -daar en daar en daar- al lichtjaren geleden uitgeblazen werden.’ Ja ja Louie, zo zal je op die kampeertrip vermoeden dat ik je stiekem klaarstoom om filosoof te worden, maar dokter of rechter is ook goed genoeg hoor (lachje).

Toen ik zelf kindje was, bedacht ik: als ik later alle mensen ter wereld samenbreng en hen smeek om iets uit

te vinden waardoor mijn ouders nooit zouden sterven, zal dat wel lukken. Het is niet de leukste levensles, maar soms maakt het niet uit hoe hard je iets wenst, hoeveel vallende sterren je ziet of klavertjes vier je aantreft, soms krijg je gewoonweg niet wat je wilt en verdient. Ik heb geen idee wanneer ik je deze brief ga laten lezen. Het is immers heerlijk om er lekker naïef vanuit te kunnen gaan dat al het goede eeuwig duurt. En hoe onvoorstelbaar goed en lief en warm was je oma Moni! Zoals ik oma aan haar sterfbed heb beloofd, ga ik je betrekken in mijn liefdevol herdenken. Je gaat heel goed weten wie oma is, want ik ga je zoveel over haar vertellen. Te beginnen in mijn volgende brief aan jou en op vele kusten waar we samen nog gaan aanmeren. Maar geen haast hoor, je bent tenslotte nog maar elf maanden en drie weken oud.

                                                                                                                             

 

 

 

 

 

 

Negende brief aan Louie,                                                                                                                                                                               
een jaar in het leven van Eros en Thanatos: deel 2


Lieve Louie,

de keren dat ik vóór jouw geboorte vrijwillig om 6u ‘s morgens opstond, zijn op twee handen te tellen. Deze dageraad noemt men in het zoetste Spaans ‘ La madrugada’ en was het nu net in Guatemala waar mijn wekker me a las seis de la madrugada uit mijn slaap lokte, onwetend dat die ochtend in 2008 één van de meest gelukzalige voormiddagen uit mijn leven zou worden. Ik wens jou ook dergelijk alles overstijgend geluk toe, maar tegelijk hoop ik dat je nooit zult wagen wat ik die ochtend deed. Ik zou als vader geen oog meer dicht doen. Een andere vroege vogel bracht me in zijn taxi naar de gigantische Maya-site Tikal. Volstrekt volgens plan was ik één van de eerste bezoekers. Ik nam bij aankomst een plattegrond van de met ruïnes bezaaide jungle en -opgewekt door de ontwakende dieren in hun groen biotoop- besloot ik al snel om van het aangelegde pad af te stappen en me lukraak door het oerwoud heen te worstelen. Na een tijdje kwam ik op een open plek en hoorde ik hoog boven mij een hels lawaai. In de bovenste takken vond er een duel plaats tussen twee rivaliserende apenfamilies. Het gevoel dat ik als mensaap unieke toeschouwer was en ik er voor hen helemaal niet toe deed, geeft me nu nog een broodnodige portie nietigheid en zelfrelativering. Onze plek is echt niet altijd bovenaan de piramide.

Over piramides gesproken… nadat ik op de achterkant van mijn plattegrond ontdekte dat zich hier ook giftige spinnen, slangen en een enkele verdwaalde tijger thuis voelen, kreeg ik de kriebels en ging ik intuïtief in de juiste richting terug naar de meer toeristische paadjes die ik opnieuw moederziel alleen bewandelde. Onderweg doemde een reusachtige piramidetempel voor me op. In mezelf verzonken, schrok ik toen een mannetje in uniform plots fluisterde ‘El mundo perdido’. Hij draaide zijn bebaard gezicht richting hemel en knikte ‘Tienes permiso.’ Destijds was mijn pseudoniem ‘ Yes man’ omdat ik tegen alles spontaan ja zei, dus meer dan deze toestemming had ik niet nodig. Ik klom over een afspanning en begon aan deze 27-eeuwen oude stairway to heaven.

Het woord ‘onbeschrijflijk’ wordt al te gemakzuchtig gebruikt om magische momenten alsnog te beschrijven, maar hier is het op zijn plaats. Toen ik op het plateau bovenkwam, gooide ik mijn armen in de lucht en omhelsde gretig dit ogenblik. Op het dak van de wildernis ervoer ik een ‘enkel-dit-hier-maakt-mijn-leventje-al-de-moeite-waard-moment’. 360 graden van oeroude jungle ingekleurd met tientallen schakeringen van groen, gecontrasteerd door enkele toppen van andere ruïnes die als oases in een bebladerde woestenij de menselijke aanwezigheid (en tegelijk de afwezigheid van de Maya’s) belichaamden. Onmogelijk om mijn innerlijke schreeuw uit te drukken, werd ik overdonderd door een flits, een gloed, een shot universum. Dit was vrijheid en ik zat in haar middelpunt. Nee, ík was vrijheid. Tot…

ik een fluitje hoorde en ik aan de voet van de ‘Verloren wereld’ een man in politieuniform zag gebaren om weer naar beneden te komen. Later ontdekte ik dat de eerste bebaarde man iemand van de groendienst was die ofwel genoot van zijn momentje van zelfbedachte autoriteit ofwel graag domme gringos bevend de trappen zag afdalen. Want beven deed ik. Tijdens de klim had ik bewust niet naar beneden gekeken en nu stond ik daarboven geconfronteerd met de bemoste, afgebrokkelde trappen van het extreem steile gebouw.
Spoiler alert! Ik heb het overleefd. Maar de nacht die erop volgde, lag ik in mijn bed met een verdriedubbelde hoogtevrees na te denken over deze hallucinante onderneming. Nu nog duizel ik met terugwerkende kracht bij de herinnering aan de hemelse beklimming en de helse vertigo.

Lieve Louie, deze gehele Guatemalteekse uitstap beschreef ik maar voor één reden: het is de best mogelijke vergelijking met mijn terugblik op het afgelopen jaar. Het is de enige treffende metafoor voor de emotie die ik weken later voel bij het overlijden van mijn mama. Als ik nu in bed mijmer over de aftakeling van je oma, mijn afscheid met haar, de eredienst organiseren, besluipt me een krachtige duizeling, gekenmerkt door vragen als: ‘hoe heb ik dit in godsnaam doorstaan? ‘Hoe kon ik aan haar sterfbed zo lucide mijn woorden van dankbaarheid en lof in de juiste volgorde plaatsen?’ Het is eenzelfde uitgestelde weerslag als bij de aanblik van de afgrond met oneffen treden: bij beide voel ik me nu ontdaan, hoewel ik me al ver voorbij het moment bevind. Maar in dit voorbij zijn, zit eveneens opluchting. Een vriend zei me op voorhand: ‘dat afscheid met je mama… hoe ongewoon ook… als het moment daar is, dan doe je dat gewoon.’ Er zit een kracht in de mens die ons vergezelt op de meest extreme passages. Noem het een overlevingsmechanisme wat je weerhoudt om van je sokken te worden geblazen. Noem het een natuurlijke schokdemper waardoor je een drama met mondjesmaat verteert. Of een middelpuntvliegende kracht die de verst verwijderde eindjes uitbalanceert. Een mens schippert steeds richting midden … ik kan me amper iets meer geruststellend indenken.

Dat de liefste persoon op aarde deze te vroeg moest verlaten, gaf ons op 1 januari een aardbeving van 8,6 op de schaal van (Charles, Max én Gerhard) Richter. Tussen de ravage bouwen we ons leven nu terug op en trachten we de naschokken samen te verzachten om ons evenwicht te bewaren. Ik kan je geen betere levensles meegeven dan dit: weinig is onmogelijk. De acute werkelijkheid maakt de onmogelijkheid mogelijk … ja, zelfs draaglijk. We zijn afgelopen jaar immers met het slechts denkbare op de best mogelijke manier omgegaan en dat is -ondanks alle ellende- zo mooi.

Louie, ik gun je alle piramides ter wereld, unieke ooggetuigenissen tussen slingerende apen en een middelpuntvliegende kracht waarmee je je kern steeds terugvindt. Als je de wijde wereld intrekt, vergeef me nu reeds mijn hoop dat je wat voorzichtiger dan je papa zult zijn. Maar geen haast hoor, je bent tenslotte nog maar 53 weken oud.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tiende brief aan Louie,
een jaar in het leven van Eros en Thanatos: deel drie

Lieve Louie,

Toen ik je gisterenavond in bed legde en je lakentje lekker strak onder het matrasje vouwde, sidderde een golf van herkenning door me heen. Ik was dommelend peutertje Joachim van 39 jaar geleden en tegelijk viel mijn huidige zelf samen met mijn mama die me destijds als baby toedekte. Ik was een handvol seconden twee personen: kind en ouder, ontvanger en gever. Als ik bij een spelletje hints het woord ‘geborgenheid’ moet uitbeelden, dan is het dus met een zacht aangespannen lakentje. Ook om de term ‘tederheid’ te belichamen, heb ik genoeg aan een denkbeeldig stuk stof. Ik zou imiteren hoe ik als kind met mijn mama de lakens opvouwde: steevast als we bij de laatste plooi naar mekaar toe kwamen, gaf ze me een zoen op de wang.

Herinneringen kunnen als stuifmeel onder je huid zitten en op de meest onverwachte momenten het daglicht opzoeken. Zo zit jouw oma op een plek van waaruit ze ten alle tijden tevoorschijn kan komen. Ze is zooooooooo afwezig dat ze overal tegelijk is. De kloof tussen mentale nabijheid versus de lijfelijke, existentiële afwezigheid is hierbij hemelsbreed. Ze is dood, maar tegelijk omringt en omkadert ze ons. Mijn mama strooit souvenirs als manna in het rond. Mijn hart plakt aan haar vast en wordt door mijn hoofd geholpen om niet los te laten. 2019 voelt hierbij zo anders dan 2018. Razende kalmte kwam in de plaats van twee verste polen zonder evenaar. Was ik een boom, dan gaf 2018 me op slag een handvol extra jaarringen, als lieveheersbeestje was ik plotsklaps volgestipt en als kameleon wisselde ik tientallen keer per dag van kleur. Nochtans toont afgelopen maand dat standvastigheid voorwaar in een leegte kan gebouwd worden. De vloedgolven van rouw die de eerste weken over me spoelden, zijn daarbij weggeëbd tot een kabbelend koud water waarin ik non-stop pootje baad. Ik lach, ontspan me, passionneer me en vraag me tegelijk af of ik niet vaker in dat water moet duiken: spetteren, ploeteren, half verzuipen in mijn verdriet omwille van háár pijn en háár verdriet. En ook een beetje het mijne.
Het lijkt dan alsof mijn pantser om (nog meer) tegenslagen aan te kunnen, wat dunner is geworden: zoals het mannetje in een computerspel plots een leven minder heeft. Gedragen door het verstrijken der dagen beweeg ik me langzaam voorwaarts. Dit verwerkingsproces loopt als de processie van Echternach: per twee stappen voorwaarts, zet je er één achteruit. Soms maal je er een hele dag over en blijft alles vaag. Soms denk je er uren niet aan en treft een beeld of idee je als een bliksemschicht in je kern.

Er lopen verschillende tijdslijnen door je leven, Louie. Je verhoudt je tot schakelkettingen die niet rond zijn, maar lang uitgestrekt. Je situeert je ergens op de wortels van je land en continent, de culturele tradities, de takken van je stamboom en -kort door de bocht- de tijdslijn van kunst die al het mooie bewaart en die van geschiedenis al het lelijke. Van in de kiem zitten er in jou ontelbare schatkistjes die door eeuwenlang creëren van waarde(n) aan kostbaarheid wonnen -wachtend om door jou ontdekt te worden. Ik kan je hierbij hoogstens een deel van de schatkaart geven. De zoektocht is jouw eigen levenslang avontuur.
Louie, je bent mijn kind. En je bent een kleinkind. Een achterkleinkind. Een achterachterkleinkind… Zie jouw voorgangers als Russische poppetjes waaronder telkens een kleinere Baboushka schuilging. Als jouw papa niet naast jouw mama was gaan zitten op het Amsterdams huisfeestje; als jouw grootvader zich niet telkens in hippiecafé Troel stiekem op de taplijst had gezet naast jouw oma’s naam; zonder de glimlach die jouw overgrootvader naar je overgrootmoeder lanceerde toen hij pakken bruine suiker leverde bij haar ouders, was je hier niet geweest. En wie wat je betbetbetovergrootvader allemaal heeft uitgespookt om je betbetbetovergrootmoeder te strikken. Jij bent –voorlopig- de laatste in een ellenlange rij poppetjes: het kleinste blaadje aan onze boom. De laatste telg in een rij van liefdes.

En met hoeveel liefde worden de lijntjes binnen jouw leven ingekleurd! Ik achtte het niet voor mogelijk hoe immens veel ik van dergelijk brabbelend, schranzend, schijtend wezentje kon houden. Je mama zegt -in het Hollands- juist hetzelfde. Niet alleen in ons gezinnetje heerst harmonie. Ondanks het onherstelbare gat dat er is geslagen door het heengaan van je warme oma, blijft ook in de familie de eendracht intact. Hoewel het vierkoppige kerngezin van mijn mama, papa, zus en ikzelf door kanker werd gevierendeeld, sluiten we de rangen door dichter naar elkaar toe te schuiven. De banale willekeur van een foute mutatie in oma’s cellen dwong ons om van een vierkant een driehoek te maken. De hoeken en lijnen blijven harmonieus en onze geesten eerder scherp dan stomp. Met de partners en kleinkinderen erbij vormen we veelhoeken en configuraties die immer in samenhang schitteren. Hoewel je opa hierbij zijn symbiose gehalveerd zag, (b)lijkt zijn aanwezigheid naar ons toe te verdubbelen.

De Russische roulette die god, natuur of noodlot, met ons speelde, stemt tot nadenken over het bestaan van een opperwezen. Ik wil je helemaal vrij laten in wat je al of niet gelooft: van Jezus tot Siddharta, van Rastafari to Pastafari … je krijgt m’n zegen. Maar één idee kan niemand me nog verkopen: er bestaat geen Almachtige én Algoede God. Als er al een opperwezen bestaat, is die eventueel vol goedheid, maar onmachtig om dit te toe te passen op de eigen schepping, ofwel Almachtig, maar totaal onverschillig voor ons. Het nabij beleven van jouw lieve oma’s pijn en aftakeling, bevestigt mijn standpunt hierin. De lieve bebaarde man die zijn macht ten goede zou gebruiken, is voor mij even onbestaande als de paashaas (gelukkig dat je deze brief de komende jaren nog niet zult lezen) .
Waaruit ik dan wel mijn troost haal? Uit dierbaren, lotgenoten, luisterende vrienden, muziek, boeken, rozenstruiken en andere kunsten. En uit het idee dat er slechts een handvol basiselementen zijn in de kosmos; dat het in die zandloper steeds weer hetzelfde zand is dat zich verplaatst; dat alles wat vergaat elders, anders voort bestaat. Niet in de hemel, maar in de natuur en in de herinneringen die in staat zijn om van ons hoofd een private hemel te maken waarin jouw oma -je baboushka- elke dag komt schitteren. Zoals haar generatiegenote Joni Mitchell het zong: We are stardust, we are golden. Of zoals ik op haar gedenkkaartje schreef:

Lang zal ze leven
in onze harten
door onze gevoelens te blijven verzachten.
Lang zal ze leven
in de seizoenen,
in het komen en gaan van blaadjes en pioenen.
Lang zal ze leven
in onze dromen,
in de dagelijkse hoop van het ochtendgloren.
Lang zal ze leven,
met haar warm glimlachen,
als rimpelingen die in onze vijvers blijvend nagalmen
Lang zal ze leven
in onze herinneringen
aangemeerd in een veilige haven als schatkistjes die we nooit zullen begraven.
Lang zal ze leven…
want het geluk dat ze ons gaf,
neemt men ons nooit meer af.


Advertisements